ArtWay

We moeten weer hoge kathedralen bouwen om de grootheid van God te eren. Jelle Korevaar

De zee van God die in de vensters staat

De zee van God die in de vensters staat

door Marco Batenburg

Dit artikel spitst zich toe op een kunstuiting die in veel historische kerkgebouwen te vinden is: gebrandschilderd glas. Ik wil onderzoeken welke betekenis beschilderde glasvensters in een kerkgebouw hebben. Na een algemene verkenning over glasvensters, zoomen we in op de Sint-Janskerk in Gouda. In deze kerk is een ensemble van maar liefst 72 gebrandschilderde glazen te zien. In dit artikel valt onze blik vervolgens op een van de meest centrale en ook een van de oudste glazen: ‘De doop van Jezus door Johannes’ (glas 15; in 1555 geplaatst). Daarna wordt onze aandacht getrokken naar het glas dat nog recent (2016) in de Sint Jan werd aangebracht: het ‘Erasmusglas’ door kunstenaar Marc Mulders.

 

De betekenis van glasvensters in het kerkgebouw

In de kerkarchitectuur spelen glasvensters al eeuwenlang een belangrijke rol. De periode van de gotiek is hiervoor met name van belang geweest. Georges Duby schrijft in De kathedralenbouwers over de grote betekenis van de abt van het klooster Saint-Denis-en-France. Deze abt, Suger geheten (1080-1151), was van mening dat de abdij moest schitteren in de grootste pracht, ter meerdere glorie van God.[1] Zoals in de tempel door Salomo ook was gewerkt met de kostbaarste materialen, zo moet dat ook gebeuren in de gebouwen en voorwerken van de christelijke kerk.

Centraal in het werk van Suger staat het denken over de betekenis van licht: "Het hart van het werk wordt gevormd door de gedachte: God is licht. Aan dit oorspronkelijke, ongeschapen en scheppende licht heeft elk schepsel deel. Ieder schepsel ontvangt de goddelijke verlichting en geeft deze door, al naar gelang zijn vermogen, dat wil zeggen naar gelang de plaats die het inneemt binnen de rangorde van alles wat is, naar gelang het niveau waarop het door het denken van God hiërarchisch is gesitueerd… Als absoluut licht is God in elk schepsel aanwezig, meer of minder versluierd naar mate het meer of minder weerstand biedt aan de verlichting. En zo vorm elk schepsel in zijn eigen mate een openbaring van God, omdat het aan iedereen die het met liefde beschouwt het licht vrijgeeft dat het heeft ontvangen en in zich draagt. Deze opvatting vormt de sleutel tot de nieuwe kunst, waarvoor de kloosterkerk van Suger model staat. Een kunst van helderheid en toenemende verlichting.”[2]

Dat kwam allereerst naar voren in het gebrandschilderde glas dat hij in zijn 'helderst denkbare ramen'[3] liet zetten. (…) “Zij waren bedoeld om het licht van God te veredelen, om het de schitterende pracht te geven van amethist of robijn, om het te tooien met de kleuren van de hemelse deugden en de blinde geest zo voort te leiden ‘langs de wegen van de anagogische meditatie’.”[4]

Kortom: glasvensters laten het licht door dat in zichzelf een verwijzing is naar Gods licht. Door het glas te kleuren of met bijbelse afbeeldingen te verfraaien wordt een extra dimensie toegevoegd. De ‘anagogische meditatie’, waarover Suger rept, wordt hiermee meer gestuurd. In ontelbaar veel kerken is in de loop de eeuwen gebrandschilderd glas aangebracht. Heel bekend zijn de kerken van Chartres en Amiens, maar ook in ons land zijn in veel historische kerkgebouwen gebrandschilderde glazen aanwezig. Overigens zijn kunstenaars als Marc Mulders en Jan Dibbets het bewijs dat de kunst van het vervaardigen van glas-in-lood niet alleen een historische aangelegenheid is. De Sint-Janskerk in Gouda neemt in ons land een unieke plaats in, omdat zich hierin maar liefst 72 gebrandschilderde glazen bevinden.

 

De Sint-Janskerk in Gouda, glazen in het koor

Het eerste kerkgebouw op de plaats waar de huidige kerk te vinden is, verrees in de dertiende eeuw. Dat gebouw fungeerde aanvankelijk als hofkapel voor de heren Van der Goude, maar op zijn laatst in 1278 kreeg het de functie van parochiekerk voor de groeiende bevolking van Gouda. In de loop van de veertiende eeuw is deze kerk uitgebreid met zijbeuken en mogelijk een ingesnoerd koor. Vanwege de sterke groei van Gouda in de veertiende eeuw werd de kerk tussen 1350 en 1510 een aantal keer uitgebreid.

In Gouda was men al vroeg vertrouwd met de glasschilderkunst. In 1481 komt de naam Jacob Codde in de stadrekeningen voor, van wie bijna zeker is dat hij glasschilder was. Toen de kerk na een fatale brand in 1552 weer werd herbouwd, gingen er al snel stemmen op voor het opnieuw plaatsen van gebrandschilderde ramen. De bestaande glazen waren allemaal door het vuur vernietigd. Voor een dergelijk project waren sponsors nodig: de kerkrentmeesters en burgemeesters bezochten allerlei hoogwaardigheidsbekleders en hoge geestelijken. Het voortouw werd genomen door Joris van Egmond, bisschop van Utrecht.

De Goudse glasschilder Dirk Crabeth plaatste in 1555 het eerste uit zijn atelier afkomstige glas in het koor, recht achter het hoofdaltaar (nummer 15 in de nummering die wordt aangehouden[5]). Dit glas laat de doop van Jezus door Johannes de Doper zien. Op de andere glazen in het koor ontrollen zich de levensverhalen van Johannes de Doper en Christus. De aankondiging van de geboorte van Johannes is in het koor het eerste glas (glas 9), gevolgd door de aankondiging van Christus’ geboorte (glas 10). Ook de geboorte van Johannes gaat in het glazenensemble vooraf aan die van Christus en zo gaat het door tot de doop van Johannes in het elfde koorglas (glas 19). De laatste twee ramen in het koor moeten bestemd zijn geweest voor het levenseinde van Christus, maar de Reformatie kwam er in 1572 tussen, zodat de cyclus niet kon worden afgemaakt. Uit de volgorde en de opbouw van de voorstellingen blijkt hoe belangrijk het verhalende aspect van de glazen is. Op de achtergrond zijn meestal enkele andere evangelie-episodes te zien, die de hoofdscène inbedden in het vervolg van het evangelieverhaal.

 

Relatie van de Goudse Glazen met het humanisme

Xander van Eck heeft in een lezing op de jaarlijkse Goudse Glazendag[6] aandacht gevraagd voor de bijzondere relatie tussen de Goudse Glazen en het gedachtegoed van Erasmus. Erasmus was een buitenechtelijk kind van een geestelijke en een Goudse vrouw. Vlak voor de geboorte van haar zoon verhuisde de vrouw naar Rotterdam, een paar jaar later (rond 1472) kwam het genie in de dop terug naar Gouda om daar de eerste schoolklassen te doorlopen. Ook al is de relatie van Erasmus met Gouda altijd ambivalent gebleven, de impact van zijn gedachtegoed is evident.

Dat blijkt onder andere uit de bijbelse thema’s die zichtbaar worden gemaakt in de glazen. Onderwerpen uit de Bijbel werden uiteraard afgebeeld in katholieke kerken over geheel Europa. Maar wanneer we het Goudse ensemble vergelijken met andere gebrandschilderde glasdecoraties uit de Late Middeleeuwen en de zestiende eeuw, blijkt dat er wel degelijk iets radicaal nieuws gebeurde. De voorstellingen die men doorgaans in kerken in heel Europa tegenkwam, van Chartres tot Dresden, werden geput uit een vast repertoire dat samenhing met de dogma’s en de liturgie van de katholieke kerk van Rome. Voorstellingen uit de Passie van Christus die direct verwezen naar de misviering, typologische reeksen die de overeenkomsten tussen het Oude en het Nieuwe Testament illustreerden, en heiligen- en wonderverhalen voerden de boventoon.

Zulke voorstellingen vertegenwoordigden een soort devotie die door Erasmus werd verafschuwd. Hij keerde zich tegen de uiterlijkheden ervan, tegen zijns inziens secundaire en misschien zelfs bijgelovige aspecten: de magische kracht van het altaarsacrament, het vragen van gunsten aan heiligen, het bidden voor de zielen in het vagevuur en dergelijke. Het antwoord daarop moest volgens hem een devotie zijn die zich richtte op de woorden van Christus. De gelovige moest door de overweging van de woorden proberen een beter mens te worden.

Als humanist was Erasmus er alles aan gelegen om de klassieke teksten in hun historische context te bestuderen en te interpreteren.  Zo ging hij ook met de Bijbel om. Hij streefde naar zo nauwkeurig mogelijke tekstedities en vertaling van de Bijbel, én vond het belangrijk dat het geheel van teksten voor het voetlicht kwam, niet alleen favoriete passages. Als gevolg van deze ontwikkeling, breidt het repertoire van bijbelse voorstellingen in de beeldende kunst zich in de eerste helft van de zeventiende eeuw flink uit.

De veelheid van voorstellingen uit de levens van Johannes de Doper en Christus zoals die in de Goudse Glazen te zien is, past in dezelfde ontwikkeling. Ook hier is zoveel mogelijk materiaal uit alle evangeliën gehaald en in min of meer chronologische volgorde gezet. Aangezien Johannes de Doper, oftewel Sint Jan, de patroonheilige van Gouda was, was dat een prima methode om de aandacht op hem te vestigen, en tegelijkertijd Christus centraal te stellen – want Johannes was tenslotte de meest directe voorloper van Christus en degene die Hem aanwees als de Verlosser.

 

Eerste illustratie: de doop van Jezus (glas 15)

Glas 15 is niet alleen bijzonder door het moment van plaatsing (als eerste na de grote brand van 1552) of door de plaats in de kerk (achter het altaar). Het heeft ook te maken met de inhoud. Op dit glas wordt het hoogtepunt van het leven van Johannes de Doper zichtbaar, naar wie de kerk is genoemd.

Direct in het oog springen Jezus en Johannes. Jezus klimt na zijn doop uit het water van de Jordaan, Johannes heft zijn hoofd omhoog. Hoog in hemel is God de Vader zichtbaar. De duif die neerdaalt is hét symbool voor de Heilige Geest. Daarmee wordt in dit gebeuren ook iets zichtbaar gemaakt van het geheimenis van de Drieëenheid: Vader, Zoon en Geest zijn betrokken.

Vanuit de hemel loopt een goudkleurige baan naar beneden, die uitloopt op een gele cirkel waarin zich een duif bevindt. In de baan staan de woorden “Hic est filius meus di[lectus] in quo mihi bene co(m)placitu(m) est. ipsu(m) audite”: “Dit is mijn geliefde Zoon in wie Ik mijn welbehagen heb. Hoor naar Hem.” Dat is opvallend, omdat dit de woorden zijn die klinken bij Jezus’ verheerlijking op de berg (Mattheüs 17) en niet bij de doop. Volgens het Mattheüsevangelie klinken bij de doop de woorden: “Dit is mijn geliefde Zoon in wie Ik mijn welbehagen heb.” (Mattheüs 3:17b) Tegelijk past deze toevoeging naadloos bij het programma van het bijbelse humanisme, dat juist de woorden van Christus voor het voetlicht wilde brengen en mensen wilde stimuleren daarnaar te luisteren.

Achter Johannes staan twee engelen, van wie er één het overkleed van Christus vasthoudt, een bekende toevoeging in die tijd. Links komen aan de oever van de Jordaan mensen aanlopen om gedoopt te worden. Boven in het glas staat een aantal kleine figuurtjes, onder wie Jezus die eerste discipelen roept (die passage volgt in het evangelieverhaal in Mattheüs 4).

De afbeelding van God de Vader, boven in het glas, werd in 1622 verwijderd. God afbeelden lag voor een groot deel van de kerkgangers gevoelig. Het fragment werd uitgenomen en afgevoerd. Intussen had iemand wel geschilderd wat er op dit glas te zien was, en in 1929, tijdens een omvangrijke restauratie, kon dit fragment wordt gereconstrueerd en weer in het glas worden aangebracht.

Bisschop Joris van Egmond staat aan de onderkant van het glas afgebeeld met achter hem de als bisschop uitgedoste Sint Maarten, beschermheilige van Utrecht. Sint Maarten werpt een geldstuk in de nap die door een plastisch uitgebeelde bedelaar wordt opgehouden. Voor de bisschop bevindt zich een open nis, waarin een afbeelding ontbreekt. In een ander glas (ontwerp van Barend van Orly voor de Bavo in Haarlem) knielt Joris van Egmond voor een zogenaamde genadestoel, dat is een afbeelding waarin God de Vader de gekruisigde vasthoudt met daarboven de duif. In het carton van dit glas ontbreekt die afbeelding, men neemt daarom aan dat de bisschop omhoogkijkt naar de voorstelling, waarin de Drieëenheid immers al aanwezig is. Het hondje aan de voeten van de bisschop symboliseert de trouw (aan het geloof, de kerk).
Door dit glas wordt de beschouwer uitgenodigd om zich te focussen op Christus en naar Hem te luisteren. Dat de duif in het geheel van het glas een centrale plaats inneemt, maakt treffend duidelijk dat de Heilige Geest hierbij een centrale rol speelt – niet alleen om Christus te zalven voor zijn taak, maar ook om de gelovige toe te rusten en te inspireren.

 

Tweede illustratie: Erasmusglas (glas 1c)

In 2016 organiseerde Museum Gouda een grote overzichtstentoonstelling van het werk van Erasmus. Het bijzondere herdenkingsjaar werd door Museum Gouda aangegrepen om een bijzonder geschenk aan de Sint-Janskerk te geven: een nieuw glas. Voor dit nieuwe glas werd Marc Mulders aangezocht, de kunstenaar die al eerder glazen in bijvoorbeeld de Nieuwe Kerk in Amsterdam en de Sint-Janskathedraal in ‘s-Hertogenbosch verzorgde.

Het Erasmusglas heeft een plaats gekregen aan de noordwestzijde van de kerk. Thematisch past het goed bij een aantal glazen (geschonken in de tijd na de Reformatie) die meer historische motieven in zich dragen. Het gaat dan vooral om:
– Glas 1: de vrijheid van consciëntie, met een verwijzing naar Coornhert, die duidelijk beïnvloed is door Erasmus.
– Glas 25: het ontzet van Leiden, met een portret van Willem van Oranje.
– Glas 28: bevrijdingsglas waarop de bevrijding van de Duitse overheersing wordt gevierd, ontworpen door Charles Eyck.

Wat opvalt aan dit glas van Mulders is dat het een totaal andere stijl heeft dan de meeste glazen. Er zijn weliswaar herkenbare voorwerpen zichtbaar, maar het geheel is abstracter dan de andere glazen. De kunstenaar heeft aan zijn glas nadrukkelijk een maatschappelijke relevantie willen meegeven. Mulders schreef er zelf het volgende over:

Nu van zo veel kanten dagelijks en in welhaast apocalyptische tactieken het (religieus) gelijk wordt opgeëist, vind ik het passend te antwoorden in een ‘niet weten’, weg van het vermeend gelijk. Deze attitude wil ik verbeelden door met het binnenvallende licht een nieuwe ruimtelijkheid te schilderen als een melodie die rondzingt, in plaats van een strijdlied met geboden. Een genereuze ruimtelijkheid, waar de Erasmiaanse klanken van tolerantie, vergeving en gastvrijheid verbeeld worden in een abstract patroon van lichtschakeringen, kleurnevels en lichtflitsen.[7]

Wie voor het glas staat, ziet prominent een sterrenhemel afgebeeld, met centraal daarin een pauw. De pauw is een geliefd thema bij Mulders. In de christelijke iconografie is dit dier vaak een beeld voor de opstanding van Christus, en van daaruit een teken van hoop. Wat tegelijk opvalt in het glas is de donkere buitenrand. Soms zijn het slangen of doornen. Daarin is ook een verwijzing naar het stadwapen van Gouda zichtbaar, met als tekst ‘Per aspera ad astra’ – door de doornen, naar de sterren. Door het duister aan de rand te schilderen, wordt duidelijk dat het kwaad geen duurzaamheid heeft – het wordt weggedrukt door de werkelijkheid van Christus.

Mulders heeft bij de vervaardiging van het glas nadrukkelijk rekening gehouden met de plaats van dit glas in het geheel. Hij schrijft daar zelf over:

Het is voor mij van evident belang dat een nieuw raam zich voegt bij de in de loop der eeuwen ontstane lichtspiegel en zich bescheiden opstelt; in harmonie met de gebedsruimte en het interieur. Want ook als is mijn handschrift van 2016, het wil dienstbaar zijn aan het eeuwenoude ensemble van architectuur en interieur, die totaalcompositie van beeld en iconografie in de Sint-Janskerk.[8]

 

Afronding

Beide glazen laten op geheel eigen manier iets oplichten van de betekenis van het evangelie. In veel glazen in de Sint Jan gebeurt dat op figuratieve manier, het nieuwe glas van Mulders doet dat op een meer abstracte wijze.

Tijdens kerkdiensten wordt met regelmaat verwezen naar de inhoud van de glazen. Daarnaast worden in de Sint Jan ook wel ‘Goudse Glazen-diensten’ gehouden, waarin een bijbelgedeelte en een glas nadrukkelijk naast elkaar worden gelegd. Telkens blijkt weer dat niet alleen de Bijbel verhelderend licht geeft om het glas beter te ‘verstaan’, ook werpt het glas vaak nieuw licht op de bijbeltekst. Het verlangen van Suger om door de vensters van de kerk Gods licht te veredelen en de beschouwers tot meditatie te brengen krijgt op deze manier een actuele betekenis.

Ik besluit met het gedicht ‘In de kathedraal van Amiens’ van Jan Willem Schulte Nordholt, waaraan de titel van dit artikel is ontleend.

In de kathedraal van Amiens

Wie op de grond staat en dan hoog omhoog
kijkt naar het saamgebundelde verschiet
van zuilen en van bundelpijlers ziet
de god van de gotiek oog tot oog.

Zo hoog en ijl is het gebouw gebouwd
dat het een mens zo klein maakt als een mier,
zo lang als een giraffe, het is hier
dat hij zich uitrekt en zijn god aanschouwt.

De oren tuiten in de hoge wind
die aangaat in de nok van het heelal,
de ogen worden door de waterval
van overstelpend hemels licht verblind.

Omdat de mens horen en zien vergaat
als enkel dat doorschijnend glas hem scheidt
van de ontzagwekkende eeuwigheid,
de zee van God die in de vensters staat. 

***

Dit artikel (2017) is opgenomen in de bundel De lofzang gaande houden, die verscheen ter gelegenheid van het afscheid van ds. D.M. van de Linde. De bijdragen in deze bundel zijn geschreven door bevriende predikanten en oud-vicarissen. De titel van dit artikel is ontleend aan een gedicht van Jan Willem Schulte Nordholt. Het artikel is ook te vinden op https://mcbatenburg.wordpress.com/

M.C. (Marco) Batenburg (1972) is sinds 2013 als predikant verbonden aan de Protestantse Sint-Jansgemeente te Gouda. Daarvoor diende hij de Hervormde Gemeentes van Zalk en Veecaten (1999-2004) en Waddinxveen (2004-2013). Batenburg is voorzitter van de IZB, vereniging voor zending in Nederland en medeauteur van de uitgave Goed gelovig. Een thematische uitleg van de Heidelbergse Catechismus voor verkondiging en onderwijs, Zoetermeer, 2015. In het voorjaar van 1998 deed hij zijn leervicariaat bij Dick van de Linde. 

Noten

[1] Georges Duby, De Kathedralenbouwers. Portret van de middeleeuwse maatschappij 980-1420, Amsterdam 1992, 111.

[2] Duby, 112.

[3] Duby, 117-118.

[4] Duby, 118.

[5] Alle 72 glazen in de Sint Jan hebben een nummer. Glas nummer 1 ligt bij de hoofdingang van de kerk, aan de westzijde. De glazen in het koor dragen de nummers 9 tot en met 21.

[6] Xander van Eck, Erasmus en de Crabeths, lezing gehouden op de Goudse Glazendag 2002, Gouda, 2002. De inhoud van deze paragraaf is aan hem ontleend.

[7] Marc Mulders en Gerard de Kleijn, Marc Mulders. Glazenier in dienst van Erasmus. Uitgave van Museum Gouda, 2015, 4.

[8] Mulders en de Kleijn, 6.