ArtWay

We moeten weer hoge kathedralen bouwen om de grootheid van God te eren. Jelle Korevaar

Abdij Roosenberg door Hans van der Laan

Dom Hans van der Laan: Abdij Roosenberg in Waasmunster, België
 
 
Een symfonie van verhoudingen
 
door Albert Hengelaar
 
België kent een indrukwekkend eigentijds kloostergebouw, de Abdij Roosenberg. Het complex is gelegen in de bossen bij Waasmunster, dichtbij Antwerpen. Het klooster is van de hand van de monnik dom Hans van der Laan (1904-1991). Deze Nederlandse architect heeft maar enkele gebouwen ontworpen, die echter allemaal klassiekers zijn. Als brein en motor achter de Bossche School is hij tot ver over de grenzen bekend.
 
Abdij Roosenberg is het enige gebouw dat volledig nieuw volgens de ideeën van Van der Laan is opgezet. En dat geldt letterlijk voor het gehele complex: van de tuin tot de planken in de klerenkast. Alles is door hem ontworpen en op elkaar afgestemd ten einde een optimale harmonie te bewerkstelligen. Onze gids zuster Rosa: ‘Zoals een muziekstuk opgebouwd is op basis van zeven noten, zo is dit gebouw ontworpen op basis van het getal zeven.’ Van der Laan: ‘Het terrein is ongeveer 175 m diep en het voorplein is ongeveer 25 m breed, dat is dus 1/7 deel.’ De gangbreedte is een zevende deel van de breedte van het voorplein en de dikte van de gangmuren is weer een zevende deel van de gangbreedte. Bij een rondgang ervaar je deze ritmiek. Het gebouw boezemt respect in en heeft een heel eigen persoonlijkheid. Sober, maar dan warmer.
 
 
Van der Laan: ‘De ruimte van de natuur heeft drie aspecten waar wij ons geen raad mee weten. Ze is onbegrensd, ze is zonder vorm en ze is onmetelijk. De architectuur is niets anders dan hetgeen aan die ruimte toegevoegd moet worden om haar bewoonbaar, zichtbaar en meetbaar te maken.’ Van der Laan spreekt van het ‘grondaccoord’ van het klooster dat een sterk afgescheiden en aan God toegewijd binnen wil zijn. Daarbij is er harmonie in de gebruikte maten en kleuren. Van der Laan: ‘Ruimte, vorm en maat moeten in een gebouw één grote harmonie vormen.’
 
 
Van der Laan noemt het terrein van de abdij een natuurlijke schoot waaruit het klooster geboren moet worden. Komend vanuit de beboste toegangsweg rijdt men de parkeerplaats op met zicht op de massieve muur van het complex en aan de linkerkant er bovenuitstekend de toren van de kerk. Het is de bedoeling dat dit voelt als een binnenkomen op het kloosterterrein. Dit is het begin en zo gaat het verder, ‘een symfonie van buiten en binnen.’
 
 
Het kloosterplein is in de woorden van Van der Laan met opzet streng gehouden om de weldaad van het binnengaan van het gebouw te versterken. Daarom is het atrium na de poort een ‘liefelijk binnen’, hoewel daar geen dak is en men in werkelijkheid nog buiten is. De zuilen vergelijkt Van der Laan met de bomen in de natuur, ‘maar dan aangepast aan onze geest’, ieder met een kroontje van enkele dakpannen. Deze pannen zijn boven alle gevels te vinden en geven het geheel in combinatie met de platte daken een mediterrane uitstraling.
 
 
In de binnenhof ziet Van de Laan een ‘nieuw buiten’ dat door het gebouw omsloten wordt. Het is het hart van het gebouw, de hortus conclusus van het Hooglied dat volgens Van der Laan een prachtig beeld is van het bovennatuurlijke leven dat wij verborgen in ons hart dragen, een innig ‘binnen’.
 
 
Vanaf de binnenhof heeft het huis een strenge blinde muur. Van der Laan: ‘Het is dus van binnen uit dat men het huis verovert.’
 
 
De verhoudingen van de wanden en ramen, het meubilair, de kleuren, alles is op elkaar afgestemd.
 
 
De achthoekige kerk heeft een galerij en alleen licht van boven. Heeft men in de kamers en zalen alleen licht van één kant, hier komt het van alle kanten. Reeds vanaf het voorplein maakt de kerk door haar speciale vorm nieuwsgierig om naar binnen te gaan.
 
 
Het is geen wonder dat Van der Laan de gevleugelde literator Saint Exupéry aanhaalt, als hij architectuur met liturgie vergelijkt. Abdij Roosenberg laat zien dat een dienende bouwkunst en levensstijl elkaar wederzijds kunnen versterken, niet in de laatste plaats manifest gemaakt door de gastvrijheid en toegewijde uitleg van de zusters.
 
 
 
*******
 
Benedictijner monnik dom Hans van der Laan meende als veel tijdgenoten aan het begin van de 20e eeuw dat het voortzetten van de traditie, de neostijlen, niet meer mogelijk was. Er was een fundamenteel nieuwe aanpak nodig om de versleten vormen te vernieuwen. Met slechts enkele jaren architectuurstudie op zak wist Hans Van der Laan op eigen kracht een sluitende theorie te ontwikkelen. Hij beschreef deze in boeken, bewees het in enkele indrukwekkende bouwwerken, en inspireerde daarmee nieuwe generaties architecten tot op de dag van vandaag. Hans van der Laan ontwikkelde een nieuwe zienswijze op de kunst van het bouwen door terug te gaan naar de essentie. Gebouwen zijn volgens hem bedoeld als begrenzing van de natuurlijke ruimte, maar dan zo dat mensen zich vanzelf thuis voelen in die ruimte. Van der Laan ging uit van een matenstelsel of verhoudingenleer die past bij onze menselijke waarneming. Hij ontwikkelde en presenteerde zijn theorie aanvankelijk in het kader van de Cursus Kerkelijke Architectuur in Den Bosch. Deze cursus, die al spoedig de naam ‘Bossche School’ kreeg, bracht een kring van architecten en kunstenaars bij elkaar, die zich bedienen van het vormenidioom gebaseerd op het Plastische Getal, de door Van der Laan ontdekte verhoudingenleer. http://www.vanderlaanstichting.nl/index.php
 
Meer over Abdij Roosenberg, zie www.abdij-roosenberg.be.
 
Albert Hengelaar is penningmeester van het bestuur van ArtWay.
 
Foto’s: Klaas Vermaas (1,2,4,5,6,8,9), Wikipedia-Spotter2 (3), Albert Truyman (7) en Albert Hengelaar (10).
 
ArtWay beeldmeditatie 13 november 2011