ArtWay

Om de dingen van Christus te schilderen moet men met Christus leven. Fra Angelico

Magdalena Abakanowicz: The Unrecognised

HET ZOONTJE VAN MAGDALENA ABAKANOWICZ

door Christian Wittebroodt

Op de terugweg van een reis naar Gdansk belandde ik in de levendige, grote stad Poznan. Het slot van mijn bezoek was aangrijpend. In het Citadelpark waar in 1945 Duitse en Russische soldaten een nietsontziende strijd hebben gevoerd, staan in de groene vlakte op een betonnen plaat 112 verroeste sculpturen. Uitgeholde en onthoofde menselijke gestalten door elkaar. Het geheel heet ‘Unrecognised’ (UK-schrijfwijze, in US ‘unrecognized’) en is een concept van Magdalena, vroeger Marta, Abakanowicz (1930-2017). 

Het leven van deze telg van een aristocratische familie leest als een historisch en maatschappelijk relaas van de diepgaande omwentelingen in het Oost-Europa van de vorige eeuw. Haar levensloop laat zich gemakkelijk in twee delen beschrijven. Geboren in de buurt van Warschau kende ze tot haar negentien slechts rijkdom en vrijheid. Haar vader was tijdig uit Rusland kunnen ontsnappen, want met de Russische Revolutie van 1917 werd bijna heel zijn familie uitgemoord. Hij vluchtte naar Polen, het geboorteland van zijn moeder, en trouwde er met een Poolse. Langs beide kanten waren het welstellende mensen, van wie de voorouders tot diep in de geschiedenis terug te vinden zijn.

Toen in 1939 de oorlog uitbrak, kreeg Magdalena om veiligheidsredenen het verbod om nog in de vrije natuur van het dorp Falenty rond te lopen. Maar met de tijd werd ook het dorp zelf onveilig en werd het meegesleurd in de ellende van de oorlog, terwijl uit het Oosten het Russisch front naderde. Hals over kop besliste het gezin naar Warschau te vluchten en zo eindigde haar idyllisch leven in het dorp voorgoed. Na een opstand van het Poolse verzetsleger Armia Krajowa in augustus 1944, werd de stad met de grond gelijk gemaakt en stuurden de Duitsers een Verbrennungskommando van opgeëisten op pad om de lijken te verbranden. Nadien werd Polen een satellietstaat van Rusland, waarbij de aristocratische familie van al haar bezittingen werd beroofd.

Ook de loopbaan van Magdalena Abakanowicz als kunstenares kende een moeizame start. Na de oorlog studeerde ze achtereenvolgens aan de kunstacademies van Sopot en Warschau Schilderkunst en Textiel. Maar in 1960 werd haar eerste solotentoonstelling in Warschau (Galleria Kordegarda) afgelast omdat haar abstracte werken niet strookten met de geest van het sociaal-realisme.
Gelukkig werd ze in diezelfde Galleria Kordegarda ontdekt door de professionele weefster Maria Laskiewicz en kon zij met haar steun in 1962 ‘Composition of White Forms’ succesvol presenteren op de Biennale Internationale de la Tapisserie in Lausanne. Haar presentatie ging in tegen de toenmalige kunstopvattingen van haar collega’s, maar zette de deur open voor een rijkgevulde carrière waarbij ze ook nog met andere materialen zou werken. Hierbij werd ze intensief geholpen door haar echtgenoot die ingenieur was. Vanaf 1965 was ze verbonden aan de Kunstacademie in Poznan waar ze in 1974 promoveerde tot professor. Ze stierf kinderloos in 2017 in Warschau.

Uit de verte roept de imposante compositie in het Citadelpark het beeld op van een kudde grote dieren. Toen ik dichterbij kwam, leken het veeleer bomen die door een wervelwind waren afgeknakt en beschadigd. Pas toen ik ertussen liep, ontdekte ik menselijke gestalten. Het weer was zonnig, maar niet echt zomers warm. Een briesje deed de trouwjurken opvliegen van de bruidsparen die met een fotograaf rond de beelden liepen op zoek naar de beste plaats voor het traditioneel plaatje. Daar waar twee vreemde legers in volle razernij elkaar de kop afschoten, beloven de trouwers elkaar nu liefde en trouw. 

De afwezigheid van tekstplaten met historische verhalen ontdoet het werk van elke tijdgebonden referentie. Een paar dagen tevoren was ik op het Solidariteitsplein, net buiten de oude stad van Gdansk. Daar aan het begin van de scheepswerf, waar de elektricien Lech Walesa (1943) in 1980 geschiedenis schreef, zag ik drie enorme stalen kruisen. Op 42 meter hoogte dragen zij een anker als symbool van de gekruisigde hoop. Twaalf reliëfs die het leven van de werfarbeiders evoceren, inscripties die hun edelmoedigheid moeten uitdrukken en een gedenksteen ter herinnering aan de vermoorde priester Jerzy Popieluszko (1947-1984) maken deel uit van het geheel. De priester werd vermoord omwille van zijn relaties met Solidarnosc en vanwege zijn preken, uitgezonden door Radio Free Europe, waarin hij politieke boodschappen inlaste. Het monument voor de gevallen scheepswerfarbeiders en de priester is een ontwerp van vier Poolse kunstenaars, van wie architect-kunstenaar Jacek Krenz de bekendste is.                                               

Spontaan dacht ik aan het devies van kunstenaar Roberto Ollivero bij het opbouwen van een tentoonstelling: ‘Overdaad aan informatie schaadt’.  Maar nog meer is het de duidelijkheid van de boodschap die boven elke verdachtmaking staat, die de artistieke inhoud dreigt te versmoren. Via de twaalf reliëfs krijgen we de opdracht ons in te leven in de gevoerde strijd. Het wordt de bezoeker op het hart gedrukt hoe rechtvaardig de strijd wel was, hoe groot de offers waren, hoe elke weldenkende mens de strijders dankbaar moet zijn en hoe de komende generaties deze boodschap moeten blijven uitdragen.

In Poznan wandel je op de Citadel tussen 112 roestige ijzeren gestalten. Kan je nog vechten wanneer je kop er afgeslagen is? Gedreven door de angst in de handen van de niets ontziende vijand te vallen, blijft het laatste dat in jou leeft, voortvechten. De nederlaag was voor de Duitsers een apocalyptische catastrofe die door de dood van de bevelhebber, een vurige nazi, generaal-majoor Ernst Gonell, extra gedramatiseerd werd. Bij de overgave van de laatste verdediger van het garnizoen zou hij zelfmoord plegen. Andere bronnen vermelden dat het garnizoen zich overgaf nadat Gonell een einde aan zijn leven maakte. Van hun kant zullen de Russen het bloed nog heter dan anders door de aderen voelen stromen hebben. De overwinning, we schrijven februari 1945, was een historische revanche voor de bloederige Duitse aanval tegen hun moederland, maar betekende ook de uitschakeling van een van de laatste bolwerken in de Duitse verdediging. De stad behoorde immers tot wat nazi-Duitsland Festungen noemde, steden die door Hitler waren aangewezen om zich met hand en tand te verzetten tegen de geallieerden. Twee maanden later stond het Rode Leger in Berlijn. 

Lopend over de grasvelden ontdek je sporen van opgevulde ruimten van de vroegere militaire gebouwen. Zo liep ik tegen de stralen van de ondergaande zon in een smal bakstenen trapje af met drie of vier treden om op een platform te komen. Daar liep een bleek jongetje met blonde krullen tegen mij aan, pakte mij bij de benen en riep papa. Hij had vlug door dat er iets niet klopte en liep weg. Een jonge, ook blonde vrouw, wellicht zijn moeder, stond er eerst wat beduusd op te kijken en toen glimlachte zij. Nu nog vind ik het geen banale gebeurtenis. Pijn of zelfs paniek had het jongetje op dat moment in zijn greep. Ook hij zal zich uit de benauwde beklemming moeten losrukken. Daar slaagde Abakanowicz bij wie pathos voorwerp van kunst is allicht wel in. De brandende pijn van haar geestelijke blessure stimuleerde immers haar creativiteit. 

Unrecognized overstijgt de lokalisatie die een directe band heeft met het militaire gebeuren. Dit oeuvre getuigt van het chaotisch en dramatisch levensparcours van Abakanowicz. Alleen iemand bij wie het leven aan de ribben heeft geplakt, is in staat een dergelijk suggestief werk te maken. De metafysische vragen die haar worden toegekend door at critic Danuta Wroblewska (‘In this work the artist attempts to answer the question ‘What is Man in pure form? She also asks From where are we coming? Who are we? Where are we heading? How and in what way are we changing history? Which instinct is strongest in Man?') verwoorden de historische kramp in de welke zij leefde en die zij uitdrukt in een werk dat vrij is van enige heldenverering.  Met de cluster van 112 torso’s met enorme benen, onthoofde menselijke gestalten die hun armen kwijt zijn en als kippen zonder kop wanordelijk alle richtingen uitgaan, drukt zij heftig haar gevoelens uit. Haar romantische verbeelding geeft vorm aan de degradatie en de verminking van de mens die door een diepe onrust verslonden wordt. 

***

Christian Wittebroodt (1939) is voormalig voorzitter van het Museum voor Moderne Religieuze Kunst (Basiliek, Koekelberg), auteur van diverse publicaties over kunst en religie, waaronder Christus in de Franse schilderkunst van de twintigste eeuw (2001) en Zoeken naar zin. Religieuze en spirituele kunst van 1900 tot nu (2020). Hij was curator van verschillende tentoonstellingen rond religieuze en spirituele kunst.