ArtWay

Kunstenaars openen onze ogen voor rijkdom en betekenis. Sandra Bowden

Artikelen

Kunst en religie - Peter Nissen

Kunst en religie

door Peter Nissen
 
Op zondag 7 februari 2010 opende Peter Nissen de Maand van de Inspiratie, een samenwerkingsproject van het Kapucijnenklooster te Velp (bij Grave) en de Stichting Kunst in het Kerkje, met een beschouwing over de vraag wat kunst en religie met elkaar te maken hebben. Wat is kunst en wat is religie, is kunst religie, of hoe zijn kunst en religie met elkaar verbonden?
 
Dat kunst en religie iets met elkaar te maken hebben, lijkt op het eerste oog evident. Een belangrijk deel van de kunstwerken uit de westerse cultuurtraditie, zowel literaire als beeldende, zowel bouwkundige als muzikale, zowel theatrale als plastische kunstwerken, is immers religieus van thematiek, heeft vaak ook in een religieuze context gefunctioneerd (van de Matthäus-Passion tot de Krönungsmesse) en is in veel gevallen ook in opdracht van de kerk, van kloosters of van andere religieuze instellingen vervaardigd.
 
Dat het artistieke erfgoed van onze westerse traditie zo sterk schatplichtig is aan de religieuze traditie van hetzelfde westen, creëert momenteel overigens wel een probleem. De kennis van die religieuze traditie neemt namelijk zienderogen af. Veel jongeren kennen niet meer de namen en de verhalen, de beelden en de symbolen, de riten en de mythen van het christendom, waarmee hun ouders of minstens hun grootouders nog zijn opgevoed. Het religieuze analfabetisme rukt in hoog tempo op. En dat betekent dat jongeren steeds minder in staat zullen zijn nog te begrijpen wat ze zien als ze een kunstwerk zien of een compositie horen of een gedicht lezen uit voorbije eeuwen. Een collega neemt regelmatig een steekproef bij eerstejaarsstudenten kunstgeschiedenis door bekende werken te laten zien als ‘De terugkeer van de verloren zoon’ van Rembrandt. Steeds minder studenten kennen en hérkennen nog dit bijbelse verhaal. De scène van Rembrandt is voor hen even vreemd en exotisch geworden als een groot deel van de niet-westerse kunst.
 
Ook voor die niet-westerse kunst geldt trouwens dat het grootste deel uit een religieuze context voortkomt. Veel voorwerpen die nu in volkenkundige musea in de westerse wereld hangen of staan, functioneerden ooit in religieuze rituelen elders op de aardbol of zijn een verbeelding van de religieuze mythen van andere cultuurgemeenschappen.
 
Als we de begrippen kunst en religie gebruiken, moeten we ons realiseren dat wij vrij jonge begrippen gebruiken voor zeer oude fenomenen. Datgene wat we aanduiden met de woorden religie en kunst, is bijna zo oud als de mensheid zelf, minstens zo oud als de oude steentijd of het Paleolithicum en ouder dus dan de laatste ijstijd. De eerste kunstuitingen van de mens zijn zo goed als zeker ook de eerste religieuze uitingen. De majestueuze vrouwenfiguren van steen, zoals de in 1908 gevonden zogenaamde Venus van Willendorf, zijn zo goed als zeker beeltenissen van moedergodinnen. Zij zijn uitdrukkingen van het besef dat het goddelijke te maken heeft met de gave van het leven, met vruchtbaarheid, met baarmoederlijke geborgenheid. En de dierfiguren op de grotwanden in Frankrijk en Spanje, in de grotten van Lascaux en Altamira, zijn zo goed als zeker niet slechts simpele decoratie, maar zijn het decor geweest van religieuze rituelen van een jagerscultuur, die in de afbeelding contact zocht met en macht over het afgebeelde dier.
 
Deze eerste voorbeelden van kunst en religie zijn zo’n 25.000 (Venus van Willendorf) tot 15.000 jaar oud (grotschilderingen van Lascaux). Zo oud zijn dus de fenomenen van kunst en religie. Maar de twee begrippen waarmee wij die fenomenen benoemen, zijn pas zo’n tweehonderd jaar oud. De ons zo vertrouwde idee dat kunst te maken heeft met esthetische creativiteit, is pas in de achttiende eeuw ontstaan en raakt pas in de negentiende eeuw algemeen verbreid. Vóór die tijd had kunst, ars, vooral te maken met ambachtelijkheid, met technè: ars is kunde én kunst. Veel in het leven moest met ambachtelijkheid gebeuren, tot en met het sterven: de ars moriendi, de stervenskunst, die vooral ook stervenskunde was; je moest het goed doen. En ars had ook niet primair met creativiteit en originaliteit te maken, maar met nabootsing, met imitatio, met mimèsis.
 
Pas tegen het eind van de achttiende eeuw ontwikkelde zich bij filosofen als Hegel en Schelling en vooral en het eerste bij Alexander Gottlieb Baumgarten, rond 1750 de grondlegger van de leer van de esthetica, een van de techniek, van de ambachtelijkheid en de mimèsis losgemaakte idee van kunst als een autonoom verschijnsel, verbonden met originaliteit en creativiteit, kunst als een eigen manier om de werkelijkheid waar te nemen en als een autonome wijze van handelen van de mens. Toen ontstond ook de gedachte dat kunst vrij is en ongebonden, absoluut ook, de hoogste uitdrukking van de menselijke ontwikkeling.
 
Precies in diezelfde tijd begon men zich ook af te vragen hoe het vele eeuwen oude fenomeen van de religiositeit te definiëren zou zijn. Wat is religie eigenlijk? Het woord zelf kon van alles betekenen, van vroomheid tot de praktijk van het kloosterleven. Dat is de reden waarom wij kloosterlingen nog altijd religieuzen noemen en spreken van het religieuze leven als wij een specifieke levensstijl bedoelen, alsof niet bijna alle menselijk leven religieus leven zou zijn.
 
Religie wordt vanaf de negentiende eeuw als een eigenstandig fenomeen gezien. Maar hoe het te definiëren? Ook daar hebben wetenschappers zich in de afgelopen twee eeuwen over gebogen. Er zijn twee tradities in de benadering van wat religie is. De oudste van die twee probeert religie te definiëren vanuit de inhoud: waar gaat religie over, wat zijn de opvattingen die wij religieus noemen. We noemen deze benadering de substantivistische benadering. Zo is er bijvoorbeeld de beroemde definitie van de Duitse theoloog Friedrich Schleiermacher, kind van de Romantiek, die religie beschrijft als een ‘puur afhankelijkheidsgevoel’ (ein Gefühl der schlechthinnigen Abhängigkeit’). Of de definitie van Edward Burnett Tylor, een van de grondleggers van de vergelijkende godsdienstwetenschap en de eerste hoogleraar antropologie in Oxford, die zegt: ‘religion is the belief in supernatural beings’ (religie is het geloof in bovennatuurlijke wezens: geesten, goden, God). Of de definitie van Rudolf Otto, hoogleraar godsdienstwetenschappen in Marburg en schrijver van het beroemde boek Das Heilige (1917): ‘religie is een bewustzijn van het heilige’. Of de definitie van de Duitse theoloog Paul Tillich, voor de nazi’s uitgeweken naar de Verenigde Staten, die zegt: religie is het gegrepen zijn door het ultieme, het uiteindelijke (the state of being grasped by ultimate concern). Deze definities zeggen bijna allemaal iets over wat tussen onze oren zit, over overtuigingen, over geloofsopvattingen, al komen de definities van Schleiermacher, Otto en Tillich ook al dichter bij het hart: een afhankelijkheidsgevoel, ontzag voor het heilige of het gegrepen zijn door het uiteindelijke. Maar de definities zeggen nog niets over wat wij daarmee doen, of over wat religie met ons doet.
 
Op dat laatste concentreert zich de andere traditie van definities: de functionalistische. Die probeert te omschrijven wat religie doet, wat de functie van religie is. Definities in deze richting komen vooral van sociologen en antropologen, en ze komen bijna allemaal neer op het volgende: religie is een systeem dat mensen helpt om te gaan met de onverklaarbare dingen, met de contrast- en breukervaringen van het leven; waarom zijn wij er (geboorte), waarom sterven wij (eindigheid) en waarom zit er tussen geboorte en dood zoveel pijn, ellende en tegenslag (het lijden). Kortom, religie is een ‘coping system’, een systeem dat of een strategie die ons helpt om te gaan met de grote levensvragen en de levensstress, een systeem dat troost verschaft en sterkte geeft.
 
Een probleem bij deze functionalistische benadering van religie is echter dat zij te weinig onderscheidend is. Als religie alleen gedefinieerd wordt op basis van wat zij doet, namelijk ons helpen om te gaan met de onberekenbare en onverklaarbare wisselvalligheden van het leven, dan is heel veel religie. Want er zijn allerlei fenomenen die deze rol kunnen vervullen. Psychotherapie en psychoanalyse doen dat ook, maar zijn zij religie? De beroemde socioloog Max Weber noemt ze liever ‘functionele equivalenten’ van religie: sinds de religie door ontkerkelijking en secularisering minder vanzelfsprekend is geworden voor veel mensen, hebben andere fenomenen minstens een deel van de functie van religie overgenomen. De psychoanalyse is zo’n fenomeen. U kent allemaal wel het beeld dat de rol van de biechtstoel in de kerk is overgenomen door de sofa in de praktijk van de psycholoog. De psychologen kregen het druk vanaf het moment dat de biechtvaders – onder wie veel kapucijnen – steeds minder klandizie kregen. Er zijn ook wetenschappers die zeggen dat sport en joggen, of ruimer: de hele wellness-industrie, een functioneel equivalent van religie is geworden.
 
En de kunst? Is die misschien ook in de plaats gekomen van de religie? Heeft zij de troostende rol van de religie overgenomen, om ons te verzoenen met het onverzoenbare, namelijk de dood?
 
Ik denk dat het te plat zou zijn om kunst alleen als een vervanging van religie te zien. De relatie tussen kunst en religie gaat dieper, veel dieper. Zij gaat dieper dan de historische relatie waar ik mee begon, namelijk dat veel kunst uit een religieuze context is voortgekomen, en zij gaat ook dieper dan de functionele overeenkomst waar ik het zojuist over had.
 
Om de diepere relatie tussen kunst en religie op het spoor te komen, hebben we een definitie van religie nodig die de beperkingen van de substantivistische en de functionalistische definitie probeert weg te nemen, een definitie die iets zegt over wat religie is (de inhoud dus: waar gaat religie over) en over wat zij doet (de functie van religie). Mijn voorstel voor een definitie zou zijn: religie is het geheel van opvattingen en praktijken of handelingen waarmee mensen zin of betekenis geven aan hun eigen bestaan door dit te verbinden met iets dat groter is dan zij zelf, iets dat hen overstijgt (iets transcendents dus), draagt, omgeeft enz. Dat ‘iets’ noemen we in wetenschappelijk jargon een symbolische werkelijkheid: dat is een werkelijkheid die niet fysiek of materiaal aanwezig is, maar die verondersteld wordt en in symbolen van taal of beeld, klank of vorm wordt aangewezen. Zo’n symbool in taal is het woord God of kosmos, Al of natuur, mensheid of oerenergie, geheim of geestkracht. Dat zijn allemaal werkelijkheden die niet fysiek aanwezig zijn (we zien bijvoorbeeld nooit de hele mensheid bij elkaar of de hele kosmos, en ‘niemand heeft ooit God gezien’, zegt het evangelie volgens Johannes 1,18), maar waarvan we wel vermoeden dat ze er zijn.
 
Dat brengt ons volgens mij al bij een eerste diepe overeenkomst tussen religie en kunst. Beide hebben te maken met het present brengen van iets dat er niet is en tegelijk toch ook weer wel is. Beide hebben van doen met symbolische representatie: zij stellen datgene tegenwoordig dat zij verbeelden. In woorden en beelden, in zang en klank, in dans en beweging, in kleur en vorm wordt in de kunst een werkelijkheid opgeroepen die tegelijk aanwezig en afwezig is. Het woord in de poëzie, de vorm in de beeldende kunst, de klank in de muziek: zij roepen een werkelijkheid op die tegelijk de gegeven werkelijkheid overstijgt, ja die meer is, groter is dan datgene wat er feitelijk is. En tegelijk heeft die symbolische representatie ook deel aan datgene waar ze naar verwijst. In zekere zin is ze wat ze afbeeldt, en tegelijk is ze het ook niet helemaal. Kunst is dus aanwezigheid van het afwezige, maar omdat ze een symbolische aanwezigheid is, is ze ook afwezigheid van het aanwezige. Ze weet dat datgene wat ze afbeeldt en representeert, haar tegelijk overstijgt, dat het groter is.
 
Precies dit is ook wat gebeurt als mensen religieuze handelingen verrichten. In de woorden van gebeden en in de beelden en voorwerpen van het religieuze ritueel – een heiligenbeeld, een icoon – wordt een verbinding gelegd met een werkelijkheid, met Iets of Iemand, die er niet is en die toch tegenwoordig wordt gesteld. In de woorden en klanken van het bidden en zingen en in het aanschouwen van het beeld of de icoon wordt een verbinding tot stand gebracht tussen ons en die werkelijkheid die ons overstijgt. En tegelijk weten we dat die werkelijkheid er niet fysiek is, dat de aanwezigheid tegelijk afwezigheid is. Dit wordt volgens mij mooi uitgedrukt in een gedicht van Bertus Aafjes, ‘Godsbegrip’, uit de bundel De karavaan uit 1953.
 
God zit niet op een troon van chroom of nikkel –

Soms zit hij in een oude pereboom
en merelt,
soms staat hij op zijn hoofd in een klein kind
want hij is altijd soms.
Hij is geen kerk van holle eeuwigheid,
hij is geen kathedraal van hoge lege almacht,
hij is een nu, een hier, een altijd soms,
soms lust die schuimt,soms een verliefdheid,en wee de maagd.

Maar altijd is hij overal in alles
zoals het is,zoals het soms en altijd anders is.
 
Wat we God noemen is ‘zoals het soms en altijd anders is’. Anders gezegd: religie bestaan in de paradox van onthullen en verhullen, van verschijnen en weer verdwijnen. Dat wordt aan het slot van het evangelie volgens Lucas fraai verwoord in het verhaal van de Emmaüsgangers: ‘nu gingen hun de ogen open en ze herkenden Hem, maar meteen was Hij uit hun gezicht verdwenen’ (Lc. 24,31). Op dit punt loopt trouwens de klassieke rooms-katholieke leer over de blijvende aanwezigheid van Christus in de geconsacreerde hostie het risico over de religieuze schreef te gaan. In die leer lijkt namelijk het besef van de afwezigheid van het aanwezige opgeheven te zijn. De gedachte van de symbolische representatie heeft er plaats gemaakt voor een bijna fysieke en daarmee platte opvatting van blijvende reële presentie. En dan dreigt het symbool tot idool te worden. Het besef van afstand, van differentie tussen het beeld en het afgebeelde, en daarmee ook het besef van de afwezigheid van het aanwezige, lijkt er verdwenen te zijn.
 
Dat besef is wezenlijk voor wat zowel kunst als religie doen: een verbinding leggen tussen ons bestaan en iets dat groter is dan wij zelf. En daarmee zijn we terug bij mijn definitie van religie, en hebben we ontdekt hoe diep kunst en religie met elkaar verbonden zijn: allebei proberen zij ons bestaan te verbinden met een symbolische werkelijkheid die groter is dan wij zelf.
 
Maar de definitie zei nog meer, namelijk dat wij die verbinding leggen om zin of betekenis te geven aan ons eigen bestaan. Kort gezegd: religie is een vorm van zingeving. En dan doet zich nu de vraag voor of dat ook van kunst gezegd kan worden. Is ook kunst een zoektocht naar betekenis, een queeste, zoals religie dat is? Sommige kunstenaars, schrijvers, dichters, schilders, componisten, beeldhouwers en choreografen zullen dit van harte beamen, maar anderen zullen het misschien even hartgrondig ontkennen. We zullen dus misschien niet voor de kunst als zodanig kunnen zeggen dat zij een zoektocht is naar het geheim van het bestaan en dat zij uit is op het vinden van betekenis, op zingeving. Veel kunstenaars zullen zich neerleggen bij de zinloosheid van het bestaan. Of zij zullen zeggen: wij cirkelen rondom de leegte.
 
Maar precies daar kunnen kunst en religie elkaar weer raken. Want is niet ook de kern van religie in die termen beschreven, ‘rondom de leegte’, en dat nog wel door de Brabantse filosoof Cornelis Verhoeven? In het boeddhisme is de hoogste staat die de mens kan bereiken die van de leegte, het nirvana, het uitgeblust en gedoofd zijn, de onbeweeglijkheid en onbewogenheid, de afwezigheid van alles. En ook de grote mystici van verschillende religieuze tradities beschreven de kern van het geheim dat zin geeft aan hun bestaan als leegte, als niet-zijn, als ‘no se que’ (‘ik weet niet wat’; Johannes van het Kruis).
 
Kunst en religie vinden elkaar dus in zekere zin in het cirkelen rondom de leegte, rond het geheim, en zij kunnen verschillen (maar hoeven dat niet) in het feit dat in religie aan dit cirkelen zin of betekenis wordt ontleend, terwijl sommige kunstenaars zich eerbiedig neerleggen bij de zinloosheid of betekenisloosheid van het bestaan.
 
Er is nóg een punt waarop kunst en religie van elkaar lijken te verschillen, maar tegelijk toch ook weer met elkaar te maken lijken te hebben. Dat is het punt van de creativiteit. In kunst wordt iets gemaakt, ofwel volgens de oude regels van de ambachtelijkheid, de technè, kunst als ars, ofwel volgens de nieuwe regels van de originaliteit. De kunstenaar is schepper. In de religieuze beleving daarentegen lijkt de mens veeleer iets te ontvangen. De religieuze mens weet zich geschapene in plaats van schepper.
 
Maar komt het scheppen van de kunstenaar niet ook minstens voor een deel voort uit het ontvangen? Schept de kunstenaar, de dichter, de beeldhouwer, de componist niet omdat hij iets ontvangen heeft, omdat hem iets overkomen is, omdat iets van buitenaf hem geraakt heeft? ‘Scheppen, zegt hij, gaat van au!’, zo dichtte Leo Vroman in het gedicht ‘Ballade’. Maar waar komt dit ‘au’ vandaan? Ik zou zeggen: religie en kunst hebben ook met elkaar gemeen dat zij beide voortkomen uit een geraaktheid. Zowel de kunstenaar als de religieuze mens zijn door iets geraakt.
 
En die geraaktheid zet bij beiden iets in gang, zij prikkelt iets, namelijk het vermogen dat de mens wellicht het meeste onderscheidt van andere dieren, dat van de verbeeldingskracht. De geraaktheid wordt inspiratie. Religie en kunst bestaan allebei bij de gratie van de verbeelding, d.w.z. bij de gratie van het vermogen van de mens om zich dingen voor te stellen die niet fysiek aanwezig zijn, ja die zelfs misschien niet eens aanwezig kúnnen zijn, maar die wij ons wel ‘voor de geest’ kunnen halen. Dat betekent niet dat religie en kunst allebei over waanideeën gaan, en evenmin dat zij allebei niet waar zouden zijn. Omdat zij vruchten van de verbeeldingskracht zijn, zijn zij niet minderwaardig dan de fysieke en materiële werkelijkheid, maar misschien juist meerderwaardig, omdat zij in staat zijn die werkelijkheid te overstijgen en ons uitzicht bieden op een werkelijkheid die nog komende is, omdat ze groter is dan wij zijn.
 
Voor meer over Peter Nissen, zie www.peternissen.nl