ArtWay

Kunst heft onze ogen naar de eeuwigheid en toont ons het belang van het hier en nu. Ally Gordon

Artikelen

H. Werkman - Kunst en kunstbeschouwing in de GKV

Kunstenaar, kerk en korset

Kunst en kunstbeschouwing in de Gereformeerde Kerken (Vrijgemaakt) 1945-1960
 
door Hans Werkman
 
1 HOKUSAI
Als vijftienjarige jongen werd ik van een klein dorp in Noord-Gro­ningen overgezet naar de stad Enschede om daar de Gereformeerde Onderwijzersopleiding te volgen. Het was een positieve cultuurschok. Plotsklaps bleken er openbare leeszalen en musea te bestaan. Nieuwe namen - Toorop, Bach, Achterberg - trokken aan mijn wereldbeeld. Ergens in Enschede zag ik voor het eerst een nummer van Stijl, Gere­formeerd Cultureel Maandblad. Op het omslag een prent van de vroeg negentiende-eeuwse Japanse kunstenaar Hokusai: een Japanner met zijn ellebogen op een blanco vel papier, zijn handen onder zijn kin, zijn tekenstift tussen twee vingers geklemd en nog werkeloos in de lucht gestoken, om zijn mond de beginnende glimlach van iemand die in vrijheid met gesloten ogen inspiratie opzuigt en een kristallisatiepunt nadert. Een fascinerende tekening. Die kale, voor zijn lage bureau lig­gende Japanner zag er immers volstrekt ongereformeerd uit. Hokusai richtte alle aandacht op een in zichzelf en in zijn kunst verzonken in­dividu.
 
Mij was nooit geleerd dat zoiets mocht of bestond. De prent kwam uit de verzameling van de befaamde kunstkenner H.R. Rookmaaker, toen redacteur van Stijl. Ik moet bij die tekening de aandrang ervaren hebben om buiten de grenzen van het gereformeerde dorpsheelal te treden, en tegelijkertijd - daar stond de naam van Rookmaaker borg voor - de Bijbel als norm te blijven omhelzen. De tekening was meer dan krachtig genoeg voor zestien maandomslagen van Stijl. Toen Rookmaaker met de rest van de redactie na een conflict met de uitgever K.E. van Spronsen in maart 1954 verdween,1 bleef de Japanner nog acht maanden doorpeinzen. Daarna verving Van Spronsen hem door wisselende foto's van landelijk Neêrlands allooi.
 
Rookmaaker, Stijl, de zuigende Japanner, het kwam weer boven toen ik de doctoraalscriptie van Frits Geerds over de vrijgemaakte cultuurvisies in de eerste vijftien jaren na de vrijmaking las. Ik herinnerde mij ook dat in vrijgemaakte kring een zekere afweerhouding bestond tegen de herdenking van de gevallenen in de Tweede Wereldoorlog. Ik had dat nooit begrepen, totdat ik bij Geerds een citaat las van D.W.L. Milo, muziekmedewerker van Stijl. Milo – overigens een artistieke en altijd heel elegant geklede bankdirecteur uit Nunspeet die geregeld met zijn jachtgeweer over de Veluwe struinde – liet in Stijl een principiële waarschuwing tegen de 4 mei-herdenking horen. Hij wees erop dat Gód werkte met goddelijke ritmes van zeven dagen en twaalf maanden, en dat het de méns was die, zoals Milo zei, een ‘heidens gebruik’ van een jaarlijkse dodenherdenking had ingesteld, ‘om ze in de “eeuwige kringloop” op te nemen, en ze zo in de magische ring te lassen’. Deze gedachtegang maakte toen dus deel uit van de vrijgemaakte cultuur. De zoveelste vorm van antithese was geschapen; het hele leven diende immers in het teken van de antithese te staan.

2 CHRISTUS EN CULTUUR
Frits Geerds stelt aan het einde van zijn doctoraalscriptie vast dat het vrijgemaakte zicht op televisie, film, muziek, dans, literatuur, toneel en samenleving tussen 1945 en 1960 gestuurd en gekleurd werd door het boek Christus en Cultuur van K. Schilder en de visies daarop. Wie over cultuur dacht, begon bij de avondmaalsgemeenschap: zet je in voor de kerk, dan komt je inzet voor de cultuur vanzelf. Je mocht een kunst­werk niet op zichzelf beleven, je behoorde het altijd te toetsen aan Gods Woord; paste het niet binnen Filippenzen 4:8 ('al wat waar, al wat waar­dig' enz. is), dan diende de antithese gesteld te worden. De mens was immers in alles allereerst ambtsdrager, die te kiezen had: Jeruzalem of Babylon. Wie voor een genuanceerder standpunt koos, gedroeg zich in het vrijgemaakte Jeruzalem van die jaren als een vreemde.
 
De kunstenaar-ambtsdrager behoorde de werkelijkheid weer te geven zoals God die bedoeld had. De museumbezoeker-ambtsdrager en de romanlezer-ambtsdrager moesten naar deze norm hun antenne afstemmen in radicale antithese met de wereld. Gereformeerde kun­stenaars waren profeten die de schoonheid en volmaaktheid van Gods schepping hadden te weerspiegelen. Terecht legt Geerds, in navolging van J. Douma, de kritische vinger bij de beperktheid van deze visie: 'Maar een profeet beziet zowel de hoogten als de diepten van deze wer­kelijkheid. Het schone en verhevene, maar ook het lelijke en afschuwe­lijke horen bij onze wereld.' Ik krijg de indruk dat vrijgemaakten in de jaren veertig en vijftig alleen mochten genieten van de harmonie van Rembrandt en Bach. Hun diepe eerbied voor Gods Woord (want die was evident!) hield in dat ze behoorden te verkrampen bij het zien van Picasso's Guernica, een toonbeeld van disharmonie immers. Toch - en dit is een eerste vragende opmerking - zat de vrijge­maakte wereld ook toen niet zo eenduidig in elkaar. Al in het tweede nummer van Stijl liet Rookmaaker De Schreeuw van Edvard Munch afdrukken.3 Zijn kritiek gold niet de houtsnede zelf, wel de existentialis­tische wanhoop die de prent verbeeldt.4
 
Is het inderdaad waar - een tweede vraag - wat Geerds stelt: dat Christus en Cultuur van K. Schilder een enorme invloed heeft gehad op het vrijgemaakte cultuur denken? Beperkte zich die invloed niet tot een kleine toplaag van aan Schilder gebonden doordenkers en navolgers? De leesbaarheidsfactor van het boek was afgestemd op hoog-intelli­gente, theologisch en filosofisch geschoolde lezers. Of zat juist hierin iets aantrekkelijks? C. Rijnsdorp althans schreef over het boek 'dat de vaktaal bijna aan tongentaal grenst. Vandaar het voor velen fascine­rende van dit geschrift. 5 Ik illustreer mijn vraag met een voorbeeld. Ik hoorde over Christus en Cultuur voor het eerst omstreeks 1955, toen Rookmaaker sprak voor onze kweekschoolclub Covatjo in Enschede. Directeur M. Koerselman stelde een vraag: U hebt niets gezegd over Christus en Cultuur van KS. Waarom niet? Rookmaaker: Maar dat boek heb ik nooit gelezen, dat is niet om doorheen te komen.
Een derde vraag. Geerds schetst een helder beeld van typisch vrijge­maakte cultuurideeën in de jaren veertig/vijftig. De kerk centraal. Geen cultuur zonder kerk- en avondmaalsgemeenschap, schreef D.J. Buwalda in Stijl. Maar al in de jaren vijftig was er juist bij vele leiders van en me­dewerkers aan Stijl een wending gaande. Buwalda, Rookmaaker, Milo, J. Bosch, B. Jongeling, G. Visee, ze waren eind jaren vijftig op weg naar een veel minder strak kerkbegrip en werden mede als gevolg daarvan in 1967/1968 buiten het verband van de vrijgemaakte kerken gezet. In welk bizar mijnenveld voltrok zich deze ontwikkeling? Gelukkig hoef ik deze vraag niet beantwoorden. Maar bizar was de situatie wel, getuige alleen al het feit dat in 1954 de redactie van dit literair en cultureel ge­aard tijdschrift met haar uitgever in conflict raakte over een kerkelijke zaak. Het was de vermaledijde 'kwestie Kralingen' waardoor Stijl begon te scheuren.
 
3 THEORIE EN PRAKTIJK
De terreinverkenning van Geerds, nuttig vooral doordat hij de vrijge­maakte discussie met W.J.C. Buitendijk herontdekt, levert dus nieuwe vragen op. Zo hoort het ook. Op een vierde vraag wil ik nu zelf ingaan. Geerds moest zich be­perken; hij bestudeerde vooral de vrijgemaakte theorievorming op het gebied van kunst en cultuur. Maar welke relatie was er tussen theorie en praktijk? In hoeverre werden tussen 1945 en 1960 de vrijgemaakte theorieën praktisch ingevuld in de werkplaats van de vrijgemaakte lite­ratuurcriticus, kunstcriticus, dichter, romanschrijver, kunstschilder? De cultuurcriticus heeft het daarbij gemakkelijker gehad dan de primaire kunstenaar. Kunst reageert op de diepste levensvragen en mag dus van de criticus een reactie verwachten waarin ethiek en religie een rol spelen. Als literatuurcriticus heb ik vanaf de jaren zeventig deze lijn zelf ook gevolgd. Ik was hierin overigens slechts voor een deel ge­schoold in de vrijgemaakte wereld door kritieken van H. Westerink in het Gereformeerd Gezinsblad en van P.A. Hekstra in het Calvinistisch Jongelingsblad. Ik ontdekte al gauw dat zij weinig typisch vrijgemaakts hadden, maar gewoon de lijn voortzetten van C. Rijnsdorp - ook mijn voorbeeld - of van C. Tazelaar of R.I Dam - niet mijn voorbeelden, omdat ze het artistieke element geen eigen waarde toekenden, maar het volstrekt ondergeschikt maakten aan de ethisch-theologische opdracht van de kunstenaar die profeet diende te zijn. 6, 7
 
Volgens mij had je overigens helemaal geen vrijgemaakte cul­tuurbeschouwing nodig om, zoals de 'synodale' Rijnsdorp immers al jaren deed, als christen op literatuur te reageren. Moest je een vrij­gemaakte ambtsgedachte en avondmaalsgemeenschapsidee uitvinden om, zoals Rookmaaker in de jaren vijftig bij zijn kunstbeschouwingen, je uitgangspunt te kiezen bij Filippenzen 4:8, bij 'al wat waar, al wat waardig' enz. is? Dat was toch in de cultuurbeschouwing van Kuyper ook al ingeweven? Vrijgemaakten anno 1950 deden alsof ze het wiel uitvonden.
 
Ik zet hier en daar een spa in de bodem van een boeiend onder­zoeksveld. Daarbij zoek ik vooral in eigen terrein, dat van de literatuur.
 
4 OPRICHTING VAN STIJL
In de zomer van 1951 werden de plannen voor Stijl gesmeed door twee vrijgemaakte jongemannen, twintigers, vrienden, de typograaf Marten J. Roorda uit het Friese Huizum en de Arnhemse psycholoog Piet Hek­stra. Ze haalden er hun gezamenlijke Haagse vriend Mart Siesling bij. Alle drie publiceerden ze gedichten. Hekstra was poëzieredacteur van De vriend des huizes en deed samen met Kees Klap de poëzierubriek 'Het jonge geluid' in Op den Uitkijk, het culturele maandblad van Zo­mer & Keuning. De drie jeugdige dichters vonden dat er op hun eigen kerkelijk erf veel te veel gepolemiseerd werd over dogmatische en kerk­rechtelijke kwesties en dat er een schreeuwend gebrek was aan cultureel besef. Ze trokken een redactie aan. De Kamper classicus D.J. Buwalda zou literatuurkritiek en geschiedenis doen, Hekstra zou poëzie bespre­ken, D.W.L. Milo, voorzitter van de gereformeerde organistenvereni­ging, nam muziek, de Amsterdamse kunsthistoricus Rookmaaker beel­dende kunst en bouwkunst, Siesling zou over proza en cultuurfilosofie gaan schrijven en Roorda zou de redactiesecretaris zijn. Als uitgever vonden ze Oosterbaan & Le Cointre te Goes, in de persoon van K.c. van Spronsen, die als Rudolf van Reest romans publiceerde. Na een drukbezochte startbijeenkomst in hotel Wientjes te Zwolle begonnen de abonnees toe te stromen. Op het hoogtepunt had het blad ongeveer duizend abonnees.8 Ieder kwartaal vergaderde de redactie, samen met Van Spronsen, in De Oude Tram in Amersfoort.
 
5 LITERATUURKRITIEK IN STIJL
Stijl had, tot aan de Stijlbreuk in maart 1954, enkele auteurs in huis die gevoel voor en kennis van kunst hadden en die konden schrijven: PA. Hekstra, D. W.L. Milo, H.R. Rookmaaker, M. Roorda, M. Siesling. Aan het vrijgemaakte besef tot de enige ware kerk te behoren en daarin een van de spitsen van de geloofspraktijk te hebben ontdekt, ontleenden de meesten van hen (ik maak voor Rookmaaker een uitzondering) echter een toon die geregeld even gedreven en oprecht naar binnen als betweterig naar buiten klonk. Hun formuleringen waren scherp. Een afwijking werd al gauw veroordeeld als afgoderij. Ze brachten in praktijk wat Buwalda geformuleerd had: geen cultuur zonder kerk- en avondmaalsgemeen­schap. Ik geef ter illustratie een bloemlezing uit recensies in Stijl.
 
Siesling prees de humor in D. van der Stoeps roman August en Ali­da, maar strafte de (eens vrijgemaakte, maar al gauw weer 'synodale') auteur af om de zin: 'Maar op dat moment zag ik het met de kerk in ons land toch minder somber in dan ik het pleeg te doen.’9
 
Buwalda verbond aan zijn recensie van De slag van Piet Bakker (over de slag in de Javazee) een uitvoerige beschouwing over Bakkers eenzijdigheid en over de roeping van de Kerk (hoofdletter) 'doodelijke ernst [te maken] met Jeremia's Klaagliederen, als in I, 5.’ 10
 
Hekstra schreef dat hij op het eerste gezicht wel hield van de nieu­we dichtbundel Hoogtijden van de rustige, midden-hervormde Jo Kal­mijn-Spierenburg, maar: 'bij even nadenken weten wij, als leden van de ware kerk aan wie de woorden Gods zijn toebetrouwd, toch ook veel meer, veel dieper en veel breder te mogen zien.'11
 
Adriaan van Boven bracht tegen de jeugdromanserie Reis door nacht van Anne de Vries in: 'ik heb de Here Jezus als mijn Koning en mijn God te belijden in alles wat ik doe en zeker in wat ik schrijf. Mag ik dan een boek geven, waarin de illegaliteit wordt getekend als opko­mend uit nationale zin, om de term nationalisme dan maar achterwege te laten, zonder er ook maar op te zinspelen, dat zulks in feite afgoderij is? Op deze vraag heeft Arme de Vries in deze trilogie "Ja" geantwoord. Wij zeggen zeer stellig "Neen".'12
 
Roorda bleek het niet eens te zijn met de lof die Het paradijs van J. Overduin geoogst had. Hij had stijlkritiek, maar ernstiger was zijn kerkambtelijke kritiek op de domineesfiguur in deze roman. Hij gaf toe dat hij het de ('synodale') auteur moeilijk kwalijk kon nemen dat deze niet 'letterlijk het adres van de kerk aanwijst'. Maar: 'een bezwaar is, dat een dominee het middel in Gods hand wordt, terwijl deze dominee niet als ambtsdrager maar wel als vriend van de hoofdpersoon wordt aangeduid. Hier wordt iets losgemaakt dat zonder bezwaar zijn verband had kunnen behouden, en ook had moeten behouden.' Men mocht de roman niet als evangelisatiemiddel gebruiken, aldus Roorda, 'want het wijst ten diepste toch de verkeerde weg, n.l. die naar een vriendelijk geaarde zieleherder in plaats van naar de ambtsdrager.’13
 
Rudolf van Reest, alias de Stijl-uitgever K.C. van Spronsen, le­verde vanaf april 1954, nadat hij de redactie had weggestuurd, noodge­dwongen veel kopij om het blad vol te krijgen. In zijn recensies koes­terde hij de traditionele stichtelijke bekeringsroman, waarvan hij zelf menig specimen had geschreven. Hij kritiseerde christen-auteurs die met hun eigen vragen deel hadden aan hun eigen tijd. Weekend in de Archipel, een roman van P.J. Risseeuw over ontwortelde mensen die na de oorlog hun spoor weer proberen te vinden, gleed volgens hem af naar 'de doolpaden der psychologie'. 'Ofschoon zij wel genoemd worden in de roman van Risseeuw, spelen de kerk, de kerkgemeenschap, de kracht van de Woorddienst en bovenal de zonde zoals de Schrift die ons tekent, geen hoofdrol. En dat kan ons toch niet bevredigen.'14
 
De originele roman Laatste wagon van B. Nijenhuis was volgens Ru­dolf van Reest 'een aaneenschakeling van detective-trucjes. Ons kan dit genre niet bekoren. En wanneer er dan bovendien nog een "christelijke draad" doorheen geweven wordt, verwekt dit genre zelfs tegenzin. We krijgen te maken met echtbreuk, diefstal, zelfmoordplannen, mensenroof, spi­onage en alle vuiligheid die er maar in het riool der zonden aanwezig is. We zullen ons hebben te bezinnen op de vraag of wij zo maar naar eigen wil­lekeur mogen jongleren met de zonde. Ik geloof er niets van. Wie de zonde uitschildert óm de zonde, om de spanning in het verhaal, om de intrige, de climax en de ontknoping zonder meer, pleegt een onzedelijke daad.'15
 
De recensies in Stijl werden niet alleen gestempeld door een visie op kerk en ambt en door een neiging tot wereldmijding, het kon ook gebeuren dat een religieus-wijsgerig denken dat veel opgeld deed in de gereformeerd-vrijgemaakte wereld als model gebruikt werd om een boek te beoordelen. De hoofdonderwijzer J.J. Struik Lzn. paste de door hem en andere Stijl-leiders stevig omhelsde Wijsbegeerte der Wetsidee toe op het jeugdboek Snuf de hond van Piet Prins (pseudoniem van de vrijgemaakte journalist P. Jongeling). Hij prees de auteur omdat Snuf de hond als 'levende ziel' geen zelfstandige plaats kreeg naast de mens. 'Een verhaal over 'n dier dient deze van God gestelde relatie alle recht te doen wedervaren. Welnu, dit boek tekent ons de levende ziel: Snuf, maar dan zoals hij is "mèt Tom", de (jonge) mèns, de koning' van dit dier.' 'Zo heeft Piet Prins 'n werkelijkheid-vol-eer-en-heerlijkheid voor ons gemaakt'. Een bezwaar van Struik was dat het detective-achtige gehalte van Snuf de hond te veel spanning bij de lezers opriep.16
 
De literatuurcritici van Stijl wilden terecht niet 'van de wereld' zijn, maar ze stonden daarbij niet met twee benen 'in de wereld'; ze wilden de romanschrijver en de dichter dwingen tot verkondiging van een leer. Over de dichtbundel Het landhuis van Ido Keekstra schreef Rudolf van Reest af­keurend: 'Onze dichters helpen ons alleen maar met hun verzen, wanneer zij er hun subjectieve twijfel in overwinnen en de centrale gedachte-inhoud van hun verzen verleggen van het "ik" naar de Christus.'17 Dat literatuur een eigen genre vertegenwoordigt en dat men ook een christen-kunstenaar niet in een korset kan dwingen, drong tot Stijl maar schaars door.
 
Na de opheffing in 1955 van Stijl en in 1959 van Ruimte, het blad dat het min of meer opvolgde,18 begon de culturele scheidsmuur tussen kerk en wereld ook onder vrijgemaakten scheuren te vertonen. Een kerkbodere­censent prefereerde een rauwe roman als Exodus van Leon Uris boven een keurige christelijke roman. 'Ik heb van zo'n boek minder last dan wanneer ik eens verplicht ben het suikerpotje van het lieve verhaaltje, waarin Christus erbij gesleept wordt, uit te likken. Dat is toch geen werk voor een volwassen mens.'19 Dezelfde recensent _ de Enschede predi­kant D. Zemel - schreef over de roman De wilde Christen van Rudolf van Reest: 'De schrijver treedt hier op - vergeef me het woord - als onze lieve Heer. Heeft hij een ongeluk nodig om de mensen op de plaats te krijgen, waar hij ze wil hebben, hij zorgt voor een ongeluk.' Zemel wei­gerde het boek te plaatsen 'in de korte rij van christelijke romans’.20
 
6 H. WESTERINK
Al eerder bleek ook H. Westerink, in de jaren vijftig en zestig litera­tuurcriticus van het Gereformeerd Gezinsblad, een reëler besef van de werkelijkheid te hebben dan de Stijl-recensenten. Hij recenseerde on­der meer moderne literatuur: Het bittere kruid van Marga Minco, Mijn kleine oorlog van Louis Paul Boon, Rots der struikeling van Boeli van Leeuwen.21 Hij werkte vanuit de bijbelse antithese, maar niet vanuit een vrijgemaakte vooridee dat kunstenaars de volmaaktheid van de schep­ping hadden weer te geven. Ook verwierp hij de gedachte die in de jaren vijftig en zestig onder vrijgemaakten nog gemeengoed was, namelijk dat literatuur van goddelozen niet op het menu van gereformeerden thuishoorde. Westerink accentueerde, daarin gesteund door de hoogle­raar H.J. Schilder, de 'roeping tot oriëntatie'.22 In een recensie over Rots der struikeling van Boeli van Leeuwen maakte hij een tussenbalans op van zijn streven naar 'begeleide confrontatie' in de jaren vijftig en zes­tig. Hij keerde een groot deel van de moderne literatuur niet de rug toe. De literaire en humanitaire waarden die hij erin aantrof verwierp hij niet. Wel legde hij kritisch de geestelijke achtergronden van een roman bloot. Vooral zag hij in dat gereformeerden deel uitmaakten van de mo­derne wereld waarin de geestelijke worsteling ook in literatuur om hun antwoord vroeg.
 
Laten we dan toezien, hoe anderen worstelen met wat zich voor hun ogen afspeelt, evenzeer als voor de onze. Waarin zij God zoe­ken te grijpen en te be-grijpen, maar Hem niet vinden. Of, waarin zij Hem wél vinden, ménen te vinden althans, maar dan als een steen des aanstoots en een rots der struikeling. En laten wij niet àl te bang zijn, wanneer onze jonge mensen zulke worstelaars volgen in hun strijd, in hun zoeken. Wij, die mis­schien nog zijn opgegroeid bij die boeken, waarin elke vloek en elk ruw woord zorgvuldig was doorgekrast, in de mening dat die lectuur daarmee zo al niet gekerstend, dan toch aanvaardbaar ge­maakt was. Laat hen maar worstelen met wat de wereld in dat soort lectuur aan struikelblokken hun voor de voeten werpt. Want aan geestelijke papkinderen heeft de overste Leidsman niets. Die val­len toch bij de eerste stoot, die immers niet uit kàn blijven, omdat we nu eenmaal niet met de deuren en ramen dicht kunnen blijven zitten, zeker niet in deze tijd van publiciteitsmedia wier invloed reikt tot in de huiskamers toe. En die hebben tóch nooit een werke­lijk woord voor de wereld; hoogstens maizenapap. Dat we hen echter in hun worstelen, ook met de literatuur, niet aan hun lot overlaten, maar mee-lezen, mee-leven, mee-strijden. En dat niet bij wijze van controle: ónze hand aan de noodrem, zodat wij uiteindelijk de touwtjes in handen houden, want dat zal ons niet gelukken. Maar als ouderen, die dezelfde Koning dienen, en dat in dezelfde wapenrusting.23
 
Door een vreemde kronkel in het recensiebeleid van zijn eigen krant, die inmiddels Nederlands Dagblad heette, stopte Westerink acuut met zijn literaire rubriek. Hij had bij de vrijgemaakte uitgeverij De Vuurbaak een roman gepubliceerd, Ik zal opstaan (1971). Het verhaal gaat over een jongeman die in een gelovig en kerkelijk meelevend gezin opgroeit, verkering krijgt met een ongelovig meisje en zijn geloof dreigt te ver­liezen. De vader, meestal gevoelig en begripsvol, schiet een keer uit zijn slof en zet de jongen de deur uit. De man krijgt daar spijt van, zoekt zijn verloren zoon op en vraagt hem vergeving. Het Nederlands Dagblad beging de onhandigheid de roman te laten recenseren door Jeane Bre­mer, iemand van het onvervalste Stijl-stempel (ze publiceerde gedichten in Stijl en in De Poortwake, het blad van de vrijgemaakte Meisjesbond). Haar kritiek op Westerink was dat hij niet de zoon, maar de vader in de roman liet opstaan om vergeving te vragen. De man had volgens haar te veel geduld gehad met zijn ongelovig wordende zoon. Mocht hij ook eens een keer hard uitschieten? Helemaal niet nodig daarvoor vergeving te vragen. 'DE FOUT is dat in dit gezin het Verbond niet recht wordt gezien.' Het Verbond houdt verantwoordelijkheid in. 'En dit is in dit boek te weinig uit de verf gekomen.' Jeane Bremer erkende niet dat een roman in de weerbarstigheid van het leven zich zijn inhoud niet laat voorschrijven door de pedagoog en zich niet in het keurslijf van de preek laat wringen. Ze schreef de auteur vanuit een moralistische antithese een beter romanconcept voor: de zoon had tot bekering moeten komen. Er mocht volgens haar voor de christelijke roman maar één norm bestaan, die ook toepasbaar was op een romanmodel: 'Gods Woord zoals wij dit in de belijdenis van de kerk naspreken'.24
 
Westerink was zo aangeslagen door deze kritiek in zijn eigen krant, dat hij er sindsdien geen letter meer in gepubliceerd heeft.25 Het conflict markeert kort na het einde van de jaren zestig een wending binnen de vrijgemaakte gemeenschap: van een antithese die gestempeld was door een vrijgemaakt kerk- en ambtsbesef naar het meer reële standpunt dat ook vrijgemaakte christenen deel uitmaken van de wereld en 'begeleide confrontatie' nodig hebben. Deze wending in het omgaan met en de beoordeling van literatuur begon zich - met horten en stoten - aanmer­kelijk vroeger af te tekenen onder de vrijgemaakten dan hun wending naar een reëler kerkelijk denken, die pas in de jaren tachtig zichtbaar begon te worden.26
 
7 H.R. ROOKMAAKER
De kunsthistoricus H.R. Rookmaaker was van origine niet gereformeerd en dat maakte het hem gemakkelijker zijn rubriek in het blad Stijl boven de smalle vrijgemaakte oriëntatiekaders uit te tillen.27 Hij besprak kritisch-­sympathetisch oude en moderne beeldende kunst uit de hele wereld. In tegenstelling tot zijn mederedacteuren die literatuur recenseerden, ging het hem om iets wat later 'begeleide confrontatie' zou gaan heten: hij beoordeelde het kunstwerk ambachtelijk op compositie, kleur et cetera, én hij probeerde de levensbeschouwing in en achter het werk te door­gronden. In een schilderij van de renaissanceschilder Filippino Lippi ge­noot hij van evenwicht, stofuitdrukking, plooival én hij wees erop dat de draaiende en spiralende bewegingen van de figuren in dienst stonden van de mariologie. Als schilderij vond hij het mooi, als theologische verhan­deling noemde hij het 'valse profetie'.28 Hij liet die beide oordelen naast elkaar staan, hij wilde het ene niet laten beheersen door het andere, hij wenste zéker niet te oordelen over het hart van de kunstenaar.
 
Onbekommerd genoot Rookmaaker van het mooie vrouwenportret en de prachtige detailleringen op Jan van Eycks 'Sinte Barbara'; hij wenste het niet slechts antithetisch te beoordelen op 'een R.K. gedach­tensfeer' . 'Kunst werpt onder ons vaak vele problemen op, en als ik mij niet vergis komen die vaak, meer of minder uitgesproken, juist hier­door, dat we kunst en alles wat daarbij hoort teveel als godsdienst willen beschouwen. Neen, wij zijn vrij .. .' Hij bedoelde: vrij om te genieten van een Madonna met Kind als kunstwerk, los van de rooms-katholieke leer daarachter.29 Van taoistische mystiek als ontstaansachtergrond had hij weinig last wanneer hij de diepte, de compositie en de lege ruimten van een Chinees landschap bewonderde.30
 
Wel signaleerde hij vaak dat de mens geroepen is in het verbond van God te leven. Vooral wanneer hij moderne kunst besprak, kwam er spanning in zijn beoordelingen. Uit een kleine beschouwing over De schreeuw van Munch blijkt Rookmaakers artistieke respect én levens­beschouwelijke afweer.31 In de kunst van zijn eigen tijd, de jaren vijftig, zag hij de angsten en verlatenheden van het existentialisme, dat juist toen vanuit Frankrijk de literatuur en beeldende kunst van Nederland begon te beïnvloeden. In een artikel over het surrealisme schreef hij dat een technisch perfect werk 'een koude demonische macht' kon verte­genwoordigen.32 Nooit maakte hij kunst los van levensbeschouwing, omdat de kunstenaars zelf vanuit een levensbeschouwing werkten. Maar van een vrijgemaakte opvatting dat de kunstenaar de werkelijk­heid behoort weer te geven zoals God die bedoeld had, is bij hem niets te merken. Veel meer stond hij midden in het landschap van de kunst en beoordeelde hij op artistiek én schriftuurlijk niveau, zonder de kunste­naar zelf te beoordelen.
 
8 CULTURELE OMMETJES MET W. MEIJER
Ook de populair geschreven artikelen over beeldende kunst van W. Meij­er in de jaren vijftig in het Gereformeerd Gezinsblad konden niet hele­maal uit de voeten met de kerkelijk toegespitste vrijgemaakte antithese­gedachte. Terecht bundelde hij een keuze uit deze stukken in Culturele ommetjes.33 Het boek is nog altijd heel leesbaar en instructief, al is het wel gewenst in zwembadpas om zijn wijdlopigheid heen te lezen. Me­ijer was volbloed vrijgemaakt. Maar het leven was sterker dan de leer. In zijn artikelen over beeldende kunst corrigeerde hij, misschien onbe­wust, voorzichtig de vrijgemaakte cultuurideeën die gestempeld waren door de antithese tussen Jeruzalem en Babylon. Voor hem had de Guer­nica van Picasso evenveel wereldfaam als Da Vinci's Laatste Avondmaal. Toen hij in Gent voor Het Lam Gods had gestaan, schreef hij in de krant over de grenzeloze eerbied waarmee Van Eyck het schilderde. Meijers beschrijving van de absolute stilte waarin het publiek naar het Lam kijkt, heeft iets mystieks.34 Wel waarschuwde hij de lezer dat Het Lam Gods niet 'een gereformeerd schilderij' is. Maar ik denk dat zijn oprecht christelijke emotie op dat moment zijn vrijgemaakte kerk- en kunstidee overvleugelde. Wel luisterde hij kritisch naar het Brugse klokgebeier in dienst van de aanbidding van 'Het heilig bloed'. Maar dat was natuurlijk geen typisch vrijgemaakte antithese-gedachte.
 
Anders dan Rookmaaker is Meijer te nadrukkelijk onderwijzend. Zijn koppeling van de levensbeschouwing van de kunstenaar aan het kunstwerk heeft iets dwangmatigs, evenals de manier waarop hij vervol­gens de christelijke levensbeschouwing uitdraagt. Hij laat te weinig aan de volwassen lezer over. Hij ziet Mondriaan bijvoorbeeld als een vernieuwer waar ook christenen niet omheen kunnen, maar Mondriaans werk wordt door hem toch wel erg sterk geketend aan diens theosofie. Meijer gunde de kijker minder vrijheid van exegese dan Rookmaaker. Maar het feit dat hij in een vrijgemaakte krant al in de jaren vijftig het publiek maand na maand confronteerde met vele vormen van oude en moderne kunst, wijst erop dat hij toch onbevangener uit zijn ogen keek dan degene die elke vorm van cultuurbeleving strikt bond aan kerkelijke avondmaalsgemeenschap.
 
9 VRIJGEMAAKTE KUNSTSCHILDERS
Tot nu toe had ik het over vrijgemaakte cultuurcritici in de jaren vijftig en zestig.35 Maar hoe ging de scheppende kunstenaar uit vrijgemaakte kring om met de vrijgemaakte normen voor kunst? Van vrijgemaakte kunstschilders heb ik hierover uit de jaren vijftig en zestig geen uitspra­ken kunnen vinden. In 1971 bepleitten Thijs Buit en Libbe Venema in een uitvoerig en opzienbarend interview dat ze als christen-kunstschil­ders de heilzame invloed hadden ondergaan van een moderne kunst waarvan ze de geest verwierpen. Ze waren daarin eensgeestes met de theoloog H.J. Schilder, die grote belangstelling had voor moderne kunst. Als het ware namens de drie zei Thijs Buit: 'Willem de Kooning bijvoorbeeld is in al zijn verscheurdheid een geweldig schilder, fantas­tisch! Maar sta je er helemaal achter? Nee, zondermeer nee. Ik kwam er werkelijk kapot vandaan. Maar de Cobra-groep heeft ook wel iets bevrijdends in het werk gebracht. Je kunt ook positief werken, een evo­lutie meemaken, die mede bewerkstelligd wordt door zo'n groep. Dat behoeft beslist niet negatief te zijn.'36 Dergelijke opmerkingen zouden binnen de Stijl-doctrine van de jaren vijftig afgewezen zijn.
 
10 VRIJGEMAAKTE DICHTERS
Onder vrijgemaakte dichters bestond de wil en ook de pretentie gerefor­meerd kunstenaar te zijn en gereformeerde of reformatorische kunst te ma­ken. Daar werd door het vrijgemaakte publiek naar uitgekeken. K. Schilder bijvoorbeeld trof een nieuw gedicht aan dat binnen deze norm paste. Het was van Marten Roorda, het beschreef een landschap met een ploegende boer en het trok deze lijn door naar de kern van het christelijk geloof:
 
En in mij, God, zijt Gij de boer
die ploegend verder gaat,
en waar, als ik geen einder zie,
mijn oog gevestigd staat,
 
omdat eens op een heuveltop,
met lijnen, recht en strak,
een Kruis zijn vlammend silhouet
in zwarte hemel stak.37
 
Dit nu, zei Schilder tegen Buwalda, is een voorbeeld van goede refor­matorische literatuur.38
 
In 1953 verscheen, onder auspiciën van het maandblad Stijl, de dichtbundel Gemeenschap, met de ondertitel 'Werk van Gereformeerde Dichters en Dichteressen'. 'Gereformeerde' betekende hier natuurlijk 'vrijgemaakt-gereformeerde'. Hekstra, Roorda en Siesling, redacteuren van Stijl, vormden de redactie.39 In een hoog en zwaar geladen inleiding schrijft Siesling dat deze bundel 'een eerste tastbare winst' is 'op een jaar gereformeerd kunst­zinnige activiteit', in het blad Stijl namelijk. De 'gereformeerde ho­mogeniteit' van de verzamelde verzen was voorwaarde voor opname. Het 'beginsel der gehoorzaamheid' werd erin aangetroffen, zowel wat betreft de poëtische maatstaf als de schriftuurlijke norm. Kortom: hier werd 'eigen gereformeerde poëzie' gepresenteerd, poëzie ontstaan uit de avondmaalsgemeenschap, vrijgemaakte poëzie. Maar de inhoud van de bundel maakt deze grote woorden niet waar. Er komt weemoedige natuur- en liefdespoëzie in voor zonder enige gere­formeerde notie. Het 'Werkpaard' van Jeane Bremer kan wel als metafoor van een christen opgevat worden, maar daar is niets vrijgemaakts aan.
 
Hij staat geduldig op zijn baas te wachten,
Het vale werkpaard, voor een oude schuur.
Zeer onbewust van zijn enorme krachten,
Beteugeld door een jarenlang dressuur.
 
Hij heeft als dier van 't leven niets te wachten,
dan kleine vreugden van een korte duur:
De warme stal en na de zware vrachten
de rust, tot aan het vroege morgenuur.
 
Hij schudt zijn kop, weemoedig, in gedachten,
Traag glijdt de dag naar 't late avonduur ...
 
Hij staat geduldig op zijn baas te wachten,
Het vale werkpaard voor een oude schuur.
 
In de bundel staat bijbelse poëzie over Achab en over de uittocht uit Egyp­te, maar soortgelijke gedichten verschenen al jaren vóór de vrijmaking in De Vriend des Huizes en in Opwaartsche Wegen. De gedichten van Roe­land van Meiberg (pseudoniem van de theologiestudent Meint R. van den Berg zijn uitgesproken somber.40 Een kenmerkende slotstrofe als
 
't Is somber nu in huis.
Ik voel me klein, alleen:
Niets anders dan 't geruis
van regen om me heen.
 
is ook bepaald geen weergave van of aanzet tot het volmaakte, terwijl dát toch in Stijl als gereformeerde norm voor de kunst aangehouden werd. Literair zijn de gedichten zeer matig. Het meeste talent tonen Andries Dongera (pseudoniem van P.A. Hekstra), Annie Pansier, F. Strijk - Braunius en Roeland van Meiberg, die later ook met een of meer dichtbundels kwamen.41
 
Misschien geldt het kenmerk 'gereformeerd-vrijgemaakt' nog het meest voor de gedichten van Johan de Weve, met hun typische preek­structuur en preekinhoud.
 
En is dit wonder niet het grootst van al:
geen plaats is in Uw opbouw voor aanschouwers;
Gij maakt zelfs die U haten tot vazal
en ons, Uw kind'ren, tot Uw medebouwers.
 
K. Schilder kreeg in een hagiografisch herdenkingsgedicht van Annie Pansier de trekken van een middelaar.
 
Nu hij niet meer voor ons kan treden,
maar wij ons houden aan zijn eed,
nu dient door ons nog meer gestreden
in 't harnas en in 't boetekleed.
 
Zodra Pansier een persoonlijke verwerking van een geloofsstrijd no­teert, is ze sterker, zoals in de inzet van 'Tweestrijd':
 
Nu ik U hierin volgen moet,
het kruis te dragen tot ik bloed:
Had ik U als mijn Heer erkend -
of mij slechts tot een droom gewend?
Hoe kan ik, die het lijden haat
zweren, dat ik U niet verlaat?
 
Andries Dongera beantwoordt in zijn gedicht 'De boodschap' aan de vrijgemaakte vraag naar profetie in dichterschap.
 
Zeg aan het volk: Er is zwaar weer op til!
- Maar, Heer, het is al jaar en dag zwaar weer. –
Nochtans: Er is nog zwaarder weer op til!
- Maar, Heer, geloven doet men het niet meer.
 
Maar zulke gedichten kon men in de negentiende en twintigste eeuw in bijna iedere bundel van een christelijke dichter aantreffen. Daar was alweer niets vrijgemaakts aan.
 
De vrijgemaakte theorievorming kon in poëzie van vrijgemaak­ten weinig praktisch resultaat boeken. Ook vrijgemaakten bleken over werkpaarden en wolken te schrijven, over Don Quichot en de seizoenen, over verval en verzoening. De redactionele pretentie in de inleiding, dat de vrijmaking had geleid tot' "gereformeerde poëzie" in de zin van "opnieuw goede poëzie'" , klonk hol en onwaar. De hervormde dichters Muus Jacobse en Ad den Besten en de 'synodale' dichters Nel Veerman en Inge Lievaart brachten het er met hun bijbelse poëzie heel wat beter af.
 
11 VRIJGEMAAKTE SCHRIJVERS EN DICHTERS
Vrijgemaakte romanschrijvers en dichters waren er in de jaren vijftig niet veel meer. In 1944 was in het 'Contact van protestants-christelij­ke auteurs' de sympathie voor de vrijmaking groot geweest. Anne de Vries, Karel van Dorp, Jo van Dorp- Ypma, Klaas J. Popma en Jacoba M. Vreugdenhil waren 'bezwaard', maar gingen niet met de vrijmaking mee. D. van der Stoep, J. van Doorne, Jan E. Niemeijer, Ab van Roon, Arjen Miedema en C.Th. Jongejan-de Groot voegden zich bij de vrij­gemaakten, voelden zich daar opgesloten in een cultureel en kerkelijk getto en gingen al gauw terug naar de 'synodalen'.42 Arjen Miedema's spirituele roman Gesprekken met Gabriël (1947) werd in vrijgemaakte kring opgevat als een protest tegen de kerk waarvan Miedema nog lid was toen hij de roman schreef: de vrijgemaakte.
 
De overgebleven vrijgemaakte schrijvers deden hun best in Stijl en later in Ruimte. Andries Dongera schreef na een dichtbundel de roman Ten dele, 43 maar kreeg geen publiek om wortel in te schieten. Berendien Meijer-Schuiling (echtgenote van W Meijer) publiceerde stichtelijke dichtbundels. De getalenteerde Kees van Duinen overleed in 1950 en debuteerde pas postuum met de verdienstelijke bundel De trap. 44 Johan Hidding was de enige vrijgemaakte beroepsschrijver, maar produceerde alleen streekromans. Rudolf van Reest maakte zichzelf te afhankelijk van vrijgemaakte normen voor scheppende kunst; wanneer hij werkelijk creatief was geweest, zou hij die kluisters verbroken hebben. Een zwak­ker auteur nog was W.P. Balkenende, die o.a. Groot gewin schreef, een kerkelijk verhaal dat door Rudolf van Reest 'een vrijgemaakte roman' genoemd werd.45 Wolf Meesters haalde in zijn latere werk niet meer het peil van zijn eerste roman Hielko van Oaltje (1938). P. Keuning werd vrijgemaakt nadat het Hersteld Verband, waarvan hij lid was, in 1946 in de hervormde kerk werd opgenomen, maar publiceerde toen nauwelijks meer, en al helemaal geen literatuur.
 
Kortom: de kwalitatief beste vrijgemaakte schrijvers (Van der Stoep, Van Doorne, Miedema) keerden haastig terug naar een grotere creatieve vrijheid in de 'synodaal gebonden' kerken, en de overgeble­ven vrijgemaakte schrijvers werden, behalve misschien Hekstra en Van Duinen, in de literatuur niet geaccepteerd door gebrek aan kwaliteit; dit gebrek kan mede worden toegeschreven aan de beperkingen die ze zichzelf oplegden met hun binnenkerkelijke kunsttheorieën.
 
De filosoof Klaas J. Popma was met zijn verhalend werk een ge­val apart. Hij schreef drie ietwat bizarre, tegenspraak oproepende en daardoor aantrekkelijke christelijke romans, een vóór, een in en een na zijn vrijgemaakte periode (1957-1965): De zonde van Jan der Kindere (1952), Drinzel zoekt verder (1959) en Het paradijs is dichtbij (1972). Maar Popma was zo buitengewoon en zo tijdelijk vrijgemaakt dat zijn romans niets met de vrijgemaakte wereld van doen hebben.
 
Met de literatuur van vrijgemaakte dichters en romanschrijvers kon het pas iets worden, als ze hun talenten in vrijheid ontwikkelden, los van kerkelijk voorgekookte normen en concepten voor het maken van kunst. Johan Cavier (pseudoniem) bevond zich op een grens. Hij was waarschijnlijk de laatste die een 'vrijgemaakte roman', en de eerste die een 'vrijgemaakte literaire roman' schreef: Vrienden van vroeger (1979), een verhaal dat met talent gecomponeerd en verteld is.46 Hij koos een motto van K. Schilder: 'Maar Christus wil gezag hebben, ook over mijn ontroerd gemoed'. Zijn hoofdpersoon, een homoseksuele jongeman, kiest uiteindelijk voor seksuele onthouding en voor de vrij­gemaakte kerk.
 
Daarna gedroegen vrijgemaakte auteurs zich in hun literaire ro­mans graag creatief-kritisch ten opzichte van kerkelijk conservatisme in kunst, cultuur, liturgie en kerkpolitiek. Ik noem als voorbeelden Eliberis of het ene spoor (1982) door Sybe Bakker, Als een pleister van de rauwe huid (1993) door Mance ter Andere, Kay (1998) door RonaId Westerbeek en Het hondje van Sollie (1999) door Hans Werk­man.
 
Het valt op dat vooral vrijgemaakte dichters vanaf de jaren tach­tig/negentig het terrein van de christelijke literatuur beheersten: Menno van der Beek, Rien van den Berg, Ria Borkent, Lenze L. Bouwers, Koos Geerds, Henk Knol, Piet Los, Marnix Niemeijer, Hennie Roth, Hilbrand Rozema.47 Maar dit had niets te maken met het feit dat ze vrijgemaakt waren. Ze waren geëmancipeerd tot christenen die deel uitmaakten van de grote wereld. In deze positie schreven ze literatuur als vrije kunste­naars, zoals op het omslag van Stijl de Japanner van Hokusai. Stijl zelf was toen oude geschiedenis geworden. Alleen de stem van Rookmaaker is indringend genoeg gebleken om nu nog gehoord te worden.
 
Gepubliceerd als hoofdstuk 8 in M. te Velde en H. Werkman (red.): Vrijgemaakte vreemdelingen. Visies uit de vroege jaren van het gereformeerd-vrijgemaakte leven (1944-1960) op kerk, staat, maatschappij, cultuur, gezin, De Vuurbaak – Barneveld, 2007.
 
 
Noten:
1) K.C. van Spronsen meldde het aftreden van de redactie op de binnenkant van het omslag van Stijl, jrg. 3 nr. 4, april 1954. Van Spronsen, Daan van Kreve­len en A. Schilder besteedden er daarna in deze jaargang nog vele verdedigende pagina's aan (146-159, 168-173, 200-205, 351-358).
2) Stijl, jrg. 2 nr. 9, sept. 1953, 231-232.
3) Stijl, jrg. 1 nr. 2, febr. 1952, 20.
4) De Kamper hoogleraar theologie H.J. Schilder, die zeer gevoelig was voor moderne kunst, liet De schreeuw van Munch afdrukken op de omslag van zijn boek Ik schreeuw het uit. Opstellen over het schreeuwend roepen in het Oude Testament, Groningen z.j.
5) C. Rijnsdorp, 'K. Schilder en (de) cultuur', in: Trouw, 3 oktober 1978. Zie ook: Hans Werkman, 'Schilder en de literatuur', in: I de Bruijn en G. Harinck (red.), Geen duimbreed! Facetten van leven en werk van prof dr. K. Schilder (1890-1952), Baarn 1990,106-131 (128-129).
6) C. Rijnsdorp, De moderne roman in opspraak, Kampen z.j. (1966).
7) C. Taze1aar, Moderne romankunst, Amsterdam 1922 en Tienjaren-oogst, Wageningen z.j. (1933); R.J. Dam, Stoa en literatuur in het licht der Schrift, Goes 1949.
8) Gesprek met Marten Roorda te Baarn, 23 jan. 2006. Hij gaf me ook zijn onuitgegeven autobiografische notities over deze periode ter inzage.
9) Stijl, jrg. 1 nr. 1, jan. 1952, 14.
10) Stijl, jrg. 1 nr. 2, febr. 1952, 31.
11) Stijl,jrg.l nr.11,nov.1952, 267 .
12) Stijl, jrg. 2 nr. 7/8, juli/aug. 1953, 224.
13) Stijl, jrg. 2 nr. 10, okt. 1953, 285-286.
14) Stijl, jrg. 3 nr. 4, april 1954, 126.
15) Stijl, jrg. 3 nr. 9, sept. 1954, 278. Van Reest was blijkbaar snel vergeten dat hij het boek gerecenseerd had. In, jrg. 3 nr. 12, 383-384, plaatste hij een variant van zijn eerste bespreking.
16) Stijl, jrg. 2 nr. 11, nov. 1953, 319-320.
17) Stijl, jrg. 3 nr. 11, november 1954, 352.
18) De geschiedenis van deze tijdschriften is nog niet geschreven. Stijl telt vier jaargangen (jan. 1952 t/m dec. 1955). Ruimte heeft vier jaargangen plus twee nummers bestaan, van april 1955 t/m mei 1959, maar daarin zit een gat van negen maanden waarin het blad door financiële tegenslagen niet kon verschij­nen (aldus de onuitgegeven autobiografische notities van Marten J. Roorda).
19) Gereformeerd Kerkblad voor Overijssel, Gelderland en Utrecht, 17 jan. 1967.
20) Gereformeerd Kerkblad voor Overijssel, Gelderland en Utrecht, 23 april 1966.
21) Het is jammer dat nooit een keuze uit deze artikelen gebundeld is. Ze stimuleerden al vroeg na de vrijmaking de 'begeleide confrontatie'.
22) H.J. Schilder in De Reformatie, 28 augustus 1965.
23) H. Westerink, 'Rots der struikeling', in: Gereformeerd Gezinsblad, 20 oktober 1965.
24) J. Bremer, 'Ik zal opstaan', in: Nederlands Dagblad, 18 dec. 1971, een maand later gevolgd door: Hans Werkman, 'Kritiek op een kritiek' met een nawoord van J. Bremer, 19 jan. 1972.
25) Hans Werkman, 'Tussen Gereformeerden en broeders van de Vergadering', interview met H. Westerink in: Nederlands Dagblad/Variant+, november 1984.
26) In 1974 werd ik vast literair medewerker van het Nederlands Dagblad. Ik bewaar uit die tijd menig blijk van weerstand tegen mijn politiek van 'begeleide confrontatie' .
27) Zie: Laurel Gasque, 'H.R. Rookmaaker (1922-1977), kunsthistoricus en calvinistisch denker', in: R. Kuiper en W. Bouwman (red.), Vuur en Vlam III, 212-238.
28) Stijl, jrg. 1 nr. 1, 4-7.
29) Stijl, jrg. 1 nr. 4, april 1952, 60-65.
30) Stijl, jrg. 3 nr. 2, febr. 1954,41-43.
31) Stijl, jrg. 1 nr. 2, 20-22.
32) Stijl, jrg. 1 nr. 6 juni 1952,118-125.
33) W Meijer, Culturele ommetjes, Goes 1961, later gevolgd door Nieuwe ommetjes, Goes 1971 en Winterreis naar Rome, Goes 1973. W Meijer is dezelf­de als de romanschrijver Wolf Meesters, vooral bekend geworden door Hielko van Oaltje, Kampen z.j. (1938).
34) Toch toonde Meijer ook een typisch vrijgemaakte afkeer van mystiek. Toen hij op 15 juli 1952 bijvoorbeeld de dichter Willem de Mérode herdacht in het Gereformeerd Gezinsblad, schreef hij: "Voorzichtigheid heeft elke lezer te betrachten, die Willem de Mérodes verzamelde werken ter hand neemt: hoedt U voor de zwoele drank der mystiek, waarin soms hele bundels gedrenkt zijn." (ge­citeerd uit: Gert van de Wege, 'Archief Chr. Lit. 2', in: Liter, jrg. 8 nr. 37, 71).
35) De vierdelige literatuurgeschiedenis door Rudolf van Reest, Dichter­schap en profetie (1953-1958), heb ik hier buiten beschouwing gelaten, maar is zeker een voorbeeld van een reformatorische literatuurbeschouwing uit vrij­gemaakte hoek.
36) G.J. Nijhof, 'Sprekende schilders', interview met Thijs Buit, Libbe Ve­nema en H.J. Schilder, in: Nederlands Dagblad, 24 april 1971
37) Marten Roorda, 'Limburgs landschap', in: De Spiegel/Kroniek van de week, 18 juni 1949.
38) Marten Roorda in zijn onuitgegeven autobiografische notities.
39) P.A. Hekstra, M.J. Roorda en M. Siesling (red.), Gemeenschap. Werk van Gereformeerde Dichters en Dichteressen, Goes z.j. (1953). Gedichten (mini­maal twee, maximaal vijf) werden opgenomen van Aly de Boer- Wielink, Jeane Bremer, Andries Dongera, Jan Kuyl, Roeland van Meiberg, Annie Pansier, Mar­ten Roorda, W Ruiten, Anne Schouten, F. Strijk-Braunius en Johan de Weve. Een aparte afdeling vormden de 'Berijmingen naar de Heilige Schift' van Adri­aan van Boven, J. Klein Fzn., Gerard Meijer en Johan de Weve.
40) Mededeling van Marten Roorda, 23 jan. 2006. Meint R. van den Berg publiceerde vanaf 1955 onder de schuilnaam M. Monsinga verhalen in Ontmoe­ting en zou zich onder zijn eigen naam ontwikkelen tot een vruchtbaar auteur van romans en verhalen.
41) Andries Dongera, 'Herfst in Europa’, Kampen 1956; Annie Pansier, Rij­dend landschap, Franeker 1978 en Bomen om het paviljoen, Groningen 1980; Feya Strijk-Braunius, Kentering, 1949, Rijpend koren, 1968, Denken aan de doden, 1981, Land in zicht, 1990 en De balling en de zandloper, 1998; Meint R. van den Berg, Apocalypse voor kinderen (1984), Wisselgeld (1995).
42) PA. Hekstra, 'De culturele situatie', in: Ruimte, gereformeerd cultureel maandblad, jrg. 2 nr. 7, okt. 1956, 9.
43) Andries Dongera, Ten dele, Kampen 1957. Het is een psychologische ro­man over een 'persoonskernsplitsing' . Jacoba M. Vreugdenhil besprak het boek positief in Ontmoeting, jrg. 12 nr. 2, nov. 1958, 61-62.
44) Kees van Duinen, De trap, Baarn z.j. (1950). De bundel werd samenge­steld door Lidy van Eijsselsteijn en Ido Keekstra.
45) De Reformatie, 24 febr. 1979.
46) Johan Cavier, Vrienden van vroeger, Groningen 1979.
47) Zie de jaargangen van de christelijke literaire tijdschriften Woordwerk (1983-1997), Bloknoot (1991-1997) en Liter (opgericht 1998). De genoemde dichters werkten daaraan mee en hun bundels werden daarin besproken.