ArtWay

De eerste verdienste van een schilderij is dat het een feest voor de ogen moet zijn. Eugène Delacroix

Artikelen

C. Rijnsdorp door Anne Schipper - K. van der Zwaag

DR. C. RIJNSDORP KON CALVINIST NIET WARM KRIJGEN VOOR CULTUUR
Twee proefschriften van Anne Schipper belichten markante christen-literator

Door dr. K. van der Zwaag

Dr. Cornelis Rijnsdorp (1894-1982) wilde het gereformeerde volksdeel laten kennismaken met muziek, literatuur en kunst. Maar hij slaagde daar niet in, zodat de kerk veel talent verloor door een negatieve visie op cultuur, zo betreurt dr. Anne Schipper. Het is zijn verdienste Rijnsdorp aan de vergetelheid te ontrukken door twee boeiende proefschriften aan hem te wijden. 

Rijnsdorp was een markante persoonlijkheid. In zijn dagelijks leven werkzaam als kantoorbediende bij de Nederlandse Handelsmaatschappij (hij was op zijn twaalfde al kostwinner omdat zijn vader vroeg overleed), verdiepte hij zich in zijn vrije tijd als autodidact in de wereld van kunst, muziek, voordrachtskunst en literatuur. Hij schreef essays, gedichten en romans, zoals Koningskinderen (1930, negen drukken!), Eldert Holier, Mijn vader, mijn vader (1946) en Ik volg je tot Istanbul. Het bekendst werd hij echter met zijn boek- en muziekbesprekingen en beschouwingen in allerlei christelijke bladen: De Standaard, De Rotterdammer, Trouw, Opwaartsche Wegen, Ontmoeting, De Reformatie.

Nog steeds lezenswaardig en informatief zijn de bundels Aan de driesprong van kunst, wetenschap en religie, Ter Zijde. Beschouwingen over literatuur en muziek (1935) en In drie etappen (1952), een prachtig overzicht van de protestantse letterkunde van de twintigste eeuw. Rijnsdorp was medewerker van de NCRV, lid van Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, kreeg in 1965 een eredoctoraat van de Vrije Universiteit –een bekroning van zijn levenswerk– en mocht zitting nemen in allerlei jury’s. Er werd zelfs een culturele prijs naar hem vernoemd. Kortom, een veelzijdig schrijver, literator en essayist die we niet mogen vergeten!

Anne Schipper promoveerde in 2017 op de geesteswetenschappelijke studie Een geknevelde volksopvoeder. C. Rijnsdorp en de culturele verheffing van het calvinistisch volksdeel: strategie en leiderschap. In 2019 volgde het theologische proefschrift Het volk aan de kunst. C. Rijnsdorp, calvinisme en cultuur: de calvinistische paradox van het cultureel tekort. Schipper is directeur is van een school in een Rotterdamse achterstandswijk. Zijn tweede theologische proefschrift plaatst het werk van de christen-literator in het complexe spanningsveld tussen calvinisme en cultuur in de periode tussen 1920 en 1970.

 

Aanvoerder zonder leger

Rijnsdorp, een van de meest gezaghebbende culturele voormannen in gereformeerde kring, dreigt te worden vergeten voordat zijn leven en werk geboekstaafd is, zo stelde Schipper in zijn eerste proefschrift vast. Rijnsdorp was een van de gezichtsbepalende figuren van de naoorlogse christelijke letterkunde. Hij streefde naar een “positief, Christelijk-nationaal cultuurideaal.” Rijnsdorp wilde het volk “aan de kunst” krijgen. Hij voelde zich geroepen tot opvoeding van zijn eigen, gereformeerde kring, maar hij stuitte juist binnen die kring vaak op wanbegrip en verguizing. Hoewel Calvijn volgens Rijnsdorp alle ruimte bood voor kunst en cultuur, esthetiek en levensgenieting, bleek in zijn kunstopvoedende praktijk het a-culturele leven sterker dan de bijbelse leer. Bach noemde de calvinisten al “kunstfeindlich”.

Rijnsdorp: “Nog vandaag kan men met recht staande houden, dat de gereformeerde gezindte geen orgaan bezit voor kunst en cultuur. Dit heeft er dan ook toe geleid, dat in de loop der jaren vele literair, schilderkunstig en muzikaal begaafden het niet in onze kerken hebben kunnen uithouden.”

Rijnsdorp was daarom een aanvoerder zonder leger, aldus Schipper. Met zijn dubbele cultuurtaak: artistiek-scheppend en pedagogisch-beschouwend, heeft Rijnsdorp getracht de “culturele lamlendigheid”, zoals hij het uitdrukte, van het gereformeerde volk te doorbreken en zijn geloofsgenoten te bewegen tot cultureel besef en kunstzinnige arbeid, aldus Schipper. Dat lukte hem niet, zodat Schipper spreekt van de “calvinistische paradox van het cultureel tekort.”

Met deze these, gebaseerd op de scheppingsopdracht uit Genesis 1:28 en het cultuurmandaat uit Genesis 2:15, ontmaskert Schipper de schijntegenstelling tussen calvinisme en cultuur, een levenspraktijk onder calvinisten waarvoor de Bijbel geen enkele legitimatie geeft, aldus Schipper. Met die onschriftuurlijke
levenspraktijk op kunstgebied deed het calvinistisch volksdeel zichzelf niet alleen in cultureel opzicht tekort, als deel van het menselijk tekort, maar verzaakte ook de bijbelse cultuuropdracht. Dit nog los van de pastorale schuldvraag die aan de kerk kleeft ten opzichte van de vele kunstenaars, die als artistiek begaafden voor Christus’ kerk verloren zijn gegaan. Elders zochten deze verloren zoons en dochters de aanspraak en weerklank, die zij thuis niet vonden. Dat zoveel kunstenaars kerk en geloof - al dan niet gedwongen - vaarwel hebben gezegd heeft Rijnsdorp diep geraakt. Zelf is hij bewust lid van zijn kerk gebleven, hoewel hij als christen-kunstenaar het breken ook wel ‘een mogelijkheid’ heeft genoemd.

Schipper concludeert vervolgens dat de emancipatiedoelen van de neocalvinisten op alle levensterreinen bereikt werden, behalve op kunstgebied. Er was sprake van een opmerkelijke verwaarlozing van het Schriftwoord over het cultuurmandaat op het levensterrein van de kunst. De doperse wereldmijding bleef overheersen. Rijnsdorp: “We hebben hier een historisch gegroeid, Nederlands Calvinisme, mee gevormd onder invloed van mystieke, Doperse en Puriteinse tendenzen, die vooral de practische houding ten aanzien van cultuur en kunst meê hebben bepaald.”

 

Subcultuur

Rijnsdorp wijst erop dat de calvinisten een subcultuur lieten zien, die afwijzend stond ten opzichte van de eigentijdse cultuur. De boze wereld begon waar de eigen gezichtskring ophield. Het tragische is volgens Schipper dat het merendeel van het theologenvolk Rijnsdorp best welgezind was. “Zij hoorden hem benevolent aan, maar zwegen doorgaans verder – veelal even welwillend.”

Schipper wijdt in dit verband het derde deel van zijn tweede proefschrift speciaal aandacht aan de rol van theologen in het kunstdebat onder gereformeerden. Daarbij verklaart hij vanuit het wetenschapstheoretisch denken van de Franse cultuursocioloog Pierre Bourdieu de theologische overheersing van kerk en predikant ten opzichte van de gedomineerde christen-kunstenaars van gereformeerde huize. Vanuit hun leidende positie vertegenwoordigden de theologen met hun legitieme smaak de (toenmalige) kerkelijk-maatschappelijk hiërarchische verhoudingen, ook op kunstgebied.

Het gevolg was dat de strijd om de goede smaak tussen theoloog en kunstenaar telkens in het voordeel van de kerk werd beslecht. De theoloog hield stand, terwijl de kunstenaar vertrok, zich conformeerde of er verbitterd het zwijgen toe deed, aldus Rijnsdorp. Over cultuurdeelname: “Wanneer vermaak taboe is en kunst luxe of bladvulling, blijft er voor de ambitieuze man weinig over dan hard werken in beroep en bedrijf.”

Rijnsdorps ideaal: een leven in en voor de (christelijke) kunst, bleek uiteindelijk niet haalbaar. De neocalvinist Rijnsdorp liep op den duur artistiek en geestelijk vast op een theologisch en maatschappelijk manco, dat hem niet alleen zijn kunstenaarschap kostte “maar op den duur ook de kunstopvoeder tot stomheid bracht”, aldus Schipper. “Als een roepende in de culturele woestijn heeft hij –getrouw aan geloof en kerk– gewaarschuwd voor de ontbindende krachten in de cultuur, met name in de literatuur.” Rijnsdorp heeft zijn kunstenaarschap (op)geofferd op het altaar van de volksopvoeder, aldus Schipper. Het calvinistisch volksdeel volhardde in zijn wereldmijdende en anti-culturele houding ten opzichte van de kunst. Op deze culturele “inertie” (onverschilligheid) van de calvinisten is Rijnsdorp vanuit zijn dubbele cultuurtaak: artistiek als literator en pedagogisch als kunstopvoeder, vastgelopen.

Zijn scheppend kunstenaarschap werd door de kunstvijandige en cultuurmijdende houding van zijn eigen volksdeel steeds meer ondergeschikt aan de beschouwende culturele volksopvoeder in hem door de opvoedende essayist en voorlichtende criticus ruim baan te geven. Bekende titels over kunst, cultuur en literatuur waren onder meer In de greep van het reusachtige. Een literator over calvinisme (1966), De moderne roman in opspraak (1966), Balkon op de wereld (1973) en Christendom en cultuur in bloei en crisis (1976). Kenmerkend voor Rijnsdorp was dat hij de literatuur niet wilde onttrekken aan levensbeschouwelijke kritiek. Een beoordeling “uit zuiver literair oogpunt” noemde hij “een hogere vorm van scheelzien”. Niet voor niets werd hem later door Trouw de toegang tot de literaire rubrieken ontzegd.

 

Roepende in woestijn

Schipper typeert Rijnsdorp als een tragisch figuur, een roepende in de woestijn. Dat was allemaal des te pijnlijker omdat theologen als Calvijn en Kuyper erg positief stonden ten opzichte van Gods gaven in kunst en cultuur. Schipper, desgevraagd: “Met name bij Kuyper kwam dat naar voren in zijn visie op de algemene genade. Rijnsdorp sprak daarom de grote luyden, de theologen, op hun gebrek aan visie op kunst en cultuur aan, omdat zij de kleine luyden immers vormden door de prediking. Rijnsdorp werd verguisd door de academische literaire wereld én kreeg geen respons in eigen kring. Pas later kreeg hij gelijk doordat ook de literaire wereld oog kreeg voor de geloofsveronderstellingen in de literatuur.” Rijnsdorp knapte volgens Schipper na de oorlog af op de moderne literatuur die vol zat met nihilisme en seks. “Hij zocht tevergeefs de gereformeerde wereld geestelijk te wapenen tegen de ontwrichtende tendensen in de moderne literatuur.

Toen die missie mislukte, ontwikkelde hij zich tot gereformeerd criticus van cultuur en samenleving en schreef hij niet meer over kunst en literatuur. Zijn levenswerk onderstreept hoe belangrijk het is om de Bijbelse roeping in kunst en cultuur te verstaan en zo de bezieling en getuigenis daar vorm aan te geven. Volgens Rijnsdorp had het neocalvinisme veel cultureel talent in huis, maar het heeft zich bijna alles buiten en zelfs tegen de kerk ontwikkeld. Daar zien we tot op de dag van vandaag de trieste gevolgen van.”

***

Literatuur: 
- Dr. Anne Schipper, Een geknevelde volksopvoeder. C. Rijnsdorp en de culturele verheffing van het calvinistisch volksdeel: Strategie en leiderschap; uitgeverij Lululily, Rotterdam, 2017; 265 blz.; € 20. 
- Dr. Anne Schipper, Het volk aan de kunst. C. Rijnsdorp, calvinisme en cultuur: de calvinistische paradox van het cultureel tekort; uitgeverij Lululily, Rotterdam, 2019; 635 blz. Wie het eerste boek aanschaft krijgt het tweede boek er gratis bij (mogelijk gemaakt door subsidie van Stichting Afbouw Kampen), inclusief porto € 27.25. Voor bestelling: anneschipper@ upcmail.nl

Gepubliceerd in Protestants Nederland 85, 2, februari 2020